37) Sūrat Aş-Şāffāt

Printed format

37) سُورَة الصَّافَّات

Wa Aş-Şāffāti Şaffāan [37.1] Bij hen, die zich in rijen scharen. وَالصَّافَّاتِ صَفّا ً
Fālzzājirāti Zajan [37.2] En bij hen die berispen. فَالزَّاجِرَاتِ زَجْرا ً
Fālttāliyāti Dhikrāan [37.3] En bij de verkondigers der Vermaning. فَالتَّالِيَاتِ ذِكْرا ً
'Inna 'Ilahakum Lawāĥidun [37.4] Voorwaar, (voorwaar), uw God is één (enig God), إِنَّ إِلَهَكُمْ لَوَاحِد ٌ
Rabbu As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Mā Baynahumā Wa Rabbu Al-Mashāriqi [37.5] Heer der hemelen en der aarde en van alles wat er tussen is, de Heer van het Oosten. رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ الْمَشَارِقِ
'Innā Zayyannā As-Samā'a Ad-Dunyā Bizīnatin Al-Kawākib [37.6] Wij hebben de laagste hemel met sterren versierd. إِنَّا زَيَّنَّا السَّمَاءَ الدُّنْيَا بِزِينَة ٍ الْكَوَاكِب
Wa Ĥifžāan Min Kulli Shayţāninridin [37.7] Als bescherming tegen iedere opstandige Satan. وَحِفْظا ً مِنْ كُلِّ شَيْطَان ٍ مَارِد ٍ
Lā Yassamma`ūna 'Ilá Al-Mala'i Al-'A`lá Wa Yuqdhafūna Min Kulli Jānibin [37.8] Zij kunnen van de verheven bijeenkomst niets horen en zij worden van elke kant verdreven. لاَ يَسَّمَّعُونَ إِلَى الْمَلَإِ الأَعْلَى وَيُقْذَفُونَ مِنْ كُلِّ جَانِب ٍ
Duĥūrāan  ۖ  Wa Lahum `Adhābun Wa Aşibun [37.9] Als verworpenen en er is voor hen een voortdurende straf; دُحُورا ً  ۖ  وَلَهُمْ عَذَاب ٌ وَاصِب ٌ
'Illā Man Khaţifa Al-Khaţfata Fa'atba`ahu Shihābun Thāqibāun [37.10] Maar hij die steelsgewijze opvangt, hem achtervolgt een heldere vlam. إِلاَّ مَنْ خَطِفَ الْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَه ُُ شِهَاب ٌ ثَاقِبا ٌ
Fāstaftihim 'Ahum 'Ashaddu Khalqāan 'Am Man Khalaqnā  ۚ  'Innā Khalaqnāhum Min Ţīnin Lāzibin [37.11] Vraag hun (de ongelovigen) of zij moeilijker zijn te scheppen, dan andere (dingen) die Wij hebben geschapen. Voorzeker, Wij hebben hen uit vaste klei geschapen. فَاسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقاً أَمْ مَنْ خَلَقْنَا  ۚ  إِنَّا خَلَقْنَاهُمْ مِنْ طِين ٍ لاَزِب ٍ
Bal `Ajibta Wa Yaskharūna [37.12] Neen, gij verwondert u en zij spotten. بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ
Wa 'Idhā Dhukkirū Lā Yadhkurūna [37.13] En wanneer zij vermaand worden, trekken zij er geen lering uit. وَإِذَا ذُكِّرُوا لاَ يَذْكُرُونَ
Wa 'Idhā Ra'aw 'Āyatan Yastaskhirūna [37.14] En wanneer zij een teken zien, bespotten zij het. وَإِذَا رَأَوْا آيَة ً يَسْتَسْخِرُونَ
Wa Qālū 'In Hādhā 'Illā Siĥrun Mubīnun [37.15] En zij zeggen: "Dit is niets dan een klaarblijkelijke tovenarij." وَقَالُوا إِنْ هَذَا إِلاَّ سِحْر ٌ مُبِين ٌ
'A'idhā Mitnā Wa Kunnā Turābāan Wa `Ižāmāan 'A'innā Lamabthūna [37.16] "Zullen wij wanneer wij dood zijn en stof en beenderen zijn geworden, worden opgewekt? أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابا ً وَعِظَاماً أَئِنَّا لَمَبْعُوثُونَ
'Awa'ābā'uunā Al-'Awwalūna [37.17] En onze voorvaderen ook?" أَوَآبَاؤُنَا الأَوَّلُونَ
Qul Na`am Wa 'Antumkhirūna [37.18] Zeg: "Ja, terwijl gij vernederd zult zijn." قُلْ نَعَمْ وَأَنْتُمْ دَاخِرُونَ
Fa'innamā Hiya Zajratun Wāĥidatun Fa'idhā Hum Yanžurūna [37.19] Er zal slechts één roep zijn en ziet, zij zullen beginnen te zien. فَإِنَّمَا هِيَ زَجْرَة ٌ وَاحِدَة ٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ
Wa Qālū Yā Waylanā Hādhā Yawmu Ad-Dīni [37.20] Dan zullen zij zeggen: "Wee ons! Dit is de Dag der vergelding." وَقَالُوا يَاوَيْلَنَا هَذَا يَوْمُ الدِّينِ
dhā Yawmu Al-Faşli Al-Ladhī Kuntum Bihi Tukadhdhibūna [37.21] (Allah zal zeggen:) "Dit is de Dag der Beslissing die gij placht te verloochenen. هَذَا يَوْمُ الْفَصْلِ الَّذِي كُنتُمْ بِه ِِ تُكَذِّبُونَ
Aĥshurū Al-Ladhīna Žalamū Wa 'Azwājahum Wa Mā Kānū Ya`budūna [37.22] Verzamelt de onrechtvaardigen, hun metgezellen en hetgeen zij aanbaden احْشُرُوا الَّذِينَ ظَلَمُوا وَأَزْوَاجَهُمْ وَمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ
Min Dūni Al-Lahi Fāhdūhum 'Ilá Şirāţi Al-Jaĥīmi [37.23] Naast Allah. Leidt hen dan naar het pad van het Vuur; مِنْ دُونِ اللَّهِ فَاهْدُوهُمْ إِلَى صِرَاطِ الْجَحِيمِ
Wa Qifūhum  ۖ  'Innahum Mas'ūlūna [37.24] Doch houdt hen staande want zij moeten worden ondervraagd." وَقِفُوهُمْ  ۖ  إِنَّهُمْ مَسْئُولُونَ
Mā Lakum Lā Tanāşarūna [37.25] "Wat scheelt u dat gij elkander niet helpt?" مَا لَكُمْ لاَ تَنَاصَرُونَ
Bal Humu Al-Yawma Mustaslimūna [37.26] Neen, op die Dag zullen zij onderworpen zijn. بَلْ هُمُ الْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ
Wa 'Aqbala Ba`đuhum `Alá Ba`đin Yatasā'alūna [37.27] Sommigen hunner zullen zich tot anderen wenden, elkander wederkerig ondervragend. وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْض ٍ يَتَسَاءَلُونَ
Qālū 'Innakum Kuntum Ta'tūnanā `Ani Al-Yamīni [37.28] Zij zullen zeggen: "Voorwaar, gij placht ons op de goede weg tegen te houden." قَالُوا إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ الْيَمِينِ
Qālū Bal Lam Takūnū Mu'uminīna [37.29] Zij zullen antwoorden: "Neen, gij waart zelf geen gelovigen." قَالُوا بَلْ لَمْ تَكُونُوا مُؤْمِنِينَ
Wa Mā Kāna Lanā `Alaykum Min Sulţānin  ۖ  Bal Kuntum Qawmāan Ţāghīna [37.30] En wij hadden geen macht over u, maar gij waart een overtredend volk. وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُمْ مِنْ سُلْطَان ٍ  ۖ  بَلْ كُنتُمْ قَوْما ً طَاغِينَ
Faĥaqqa `Alaynā Qawlu Rabbinā  ۖ  'Innā Ladhā'iqūna [37.31] Nu is het woord van onze Heer omtrent ons werkelijkheid geworden. Wij zullen gewis (de straf) smaken." فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَا  ۖ  إِنَّا لَذَائِقُونَ
Fa'aghwaynākum 'Innā Kunnā Ghāwīna [37.32] En wij deden u dwalen omdat wij zelf in dwaling waren." فَأَغْوَيْنَاكُمْ إِنَّا كُنَّا غَاوِينَ
Fa'innahum Yawma'idhin Al-`Adhābi Mushtarikūna [37.33] Waarlijk, op die Dag zullen zij allen deelgenoten zijn in de straf. فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذ ٍ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ
'Innā Kadhālika Naf`alu Bil-Mujrimīna [37.34] Zo behandelen Wij de schuldigen; إِنَّا كَذَلِكَ نَفْعَلُ بِالْمُجْرِمِينَ
'Innahum Kānū 'Idhā Qīla Lahum Lā 'Ilāha 'Illā Al-Lahu Yastakbirūna [37.35] Voorzeker toen er tot hen werd gezegd: "Er is geen God naast Allah", waren zij vanmatigend. إِنَّهُمْ كَانُوا إِذَا قِيلَ لَهُمْ لاَ إِلَهَ~َ إِلاَّ اللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ
Wa Yaqūlūna 'A'innā Latārikū 'Ālihatinā Lishā`irin Majnūnin [37.36] En zeiden: "Zullen wij onze Goden voor die waanzinnige dichter opgeven?" وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوا آلِهَتِنَا لِشَاعِر ٍ مَجْنُون ٍ
Bal Jā'a Bil-Ĥaqqi Wa Şaddaqa Al-Mursalīna [37.37] Neen, hij is met de Waarheid gekomen en heeft die van de (vroegere) boodschappers bevestigd. بَلْ جَاءَ بِالْحَقِّ وَصَدَّقَ الْمُرْسَلِينَ
'Innakum Ladhā'iqū Al-`Adhābi Al-'Alīmi [37.38] Gij zult de pijnlijke straf gewis ondergaan. إِنَّكُمْ لَذَائِقُو الْعَذَابِ الأَلِيمِ
Wa Mā Tujzawna 'Illā Mā Kuntum Ta`malūna [37.39] En gij zult slechts worden vergolden voor hetgeen gij deedt. وَمَا تُجْزَوْنَ إِلاَّ مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
'Illā `Ibāda Al-Lahi Al-Mukhlaşīna [37.40] Maar de uitverkoren dienaren van Allah. إِلاَّ عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ
'Ūlā'ika Lahum Rizqun Ma`lūmun [37.41] Zullen een bekende voorziening ontvangen; أُوْلَائِكَ لَهُمْ رِزْق ٌ مَعْلُوم ٌ
Fawākihu  ۖ  Wa Hum Mukramūna [37.42] Zij zullen vruchten ontvangen, en worden geëerd, فَوَاكِه ُُ  ۖ  وَهُمْ مُكْرَمُونَ
Fī Jannāti An-Na`īmi [37.43] In tuinen van gunsten, فِي جَنَّاتِ النَّعِيمِ
`Alá Sururin Mutaqābilīna [37.44] Op rustbanken. tegenover elkander. عَلَى سُرُر ٍ مُتَقَابِلِينَ
Yuţāfu `Alayhim Bika'sin Min Ma`īnin [37.45] En een beker zal hun worden rondgereikt uit een stromende bron. يُطَافُ عَلَيْهِمْ بِكَأْس ٍ مِنْ مَعِين ٍ
Bayđā'a Ladhdhatin Lilshshāribīna [37.46] Helder, smakelijk voor de drinkenden, بَيْضَاءَ لَذَّة ٍ لِلشَّارِبِينَ
Lā Fīhā Ghawlun Wa Lā Hum `Anhā Yunzafūna [37.47] Waardoor geen dronkenschap zal ontstaans noch zullen zij er door worden uitgeput. لاَ فِيهَا غَوْل ٌ وَلاَ هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ
Wa `Indahum Qāşirātu Aţ-Ţarfi `Īnun [37.48] En naast hen zullen vrouwen zijn van bescheiden blik met mooie ogen. وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِين ٌ
Ka'annahunna Bayđun Maknūnun [37.49] Rein, alsof zij zorgvuldig bewaarde eieren waren. كَأَنَّهُنَّ بَيْض ٌ مَكْنُون ٌ
Fa'aqbala Ba`đuhum `Alá Ba`đin Yatasā'alūna [37.50] En enigen hunner zullen zich tot anderen wenden, elkander ondervragend. فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْض ٍ يَتَسَاءَلُونَ
Qāla Qā'ilun Minhum 'Innī Kāna Lī Qarīnun [37.51] Een hunner zal zeggen: "Ik had een metgezel, قَالَ قَائِل ٌ مِنْهُمْ إِنِّي كَانَ لِي قَرِين ٌ
Yaqūlu 'A'innaka Lamina Al-Muşaddiqīna [37.52] Die placht te zeggen: "Bevestigt gij inderdaad, يَقُولُ أَئِنَّكَ لَمِنَ الْمُصَدِّقِينَ
'A'idhā Mitnā Wa Kunnā Turābāan Wa `Ižāmāan 'A'innā Lamadīnūna [37.53] Dat wanneer wij dood zijn en tot stof en beenderen geworden, ons inderdaad wordt vergolden?" أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابا ً وَعِظَاماً أَئِنَّا لَمَدِينُونَ
Qāla Hal 'Antum Muţţali`ūna [37.54] Hij zal vragen: "Wilt gij opzien?" قَالَ هَلْ أَنْتُمْ مُطَّلِعُونَ
Fāţţala`a Fara'āhu Fī Sawā'i Al-Jaĥīmi [37.55] Dan zal hij kijken en hem in het midden van het Vuur zien. فَاطَّلَعَ فَرَآهُ فِي سَوَاءِ الْجَحِيمِ
Qāla Ta-Allāhi 'In Kidta Laturdīni [37.56] Hij zal zeggen: "Bij Allah, gij deedt mij ook bijna te niet gaan." قَالَ تَاللَّهِ إِنْ كِدْتَ لَتُرْدِينِ
Wa Lawlā Ni`matu Rabbī Lakuntu Mina Al-Muĥđarīna [37.57] "En ware het niet door de gunst van mijn Heer, ik zou ook tot hen behoren die daar aanwezig zijn. وَلَوْلاَ نِعْمَةُ رَبِّي لَكُنتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ
'Afamā Naĥnu Bimayyitīna [37.58] Zullen wij niet sterven, أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ
'Illā Mawtatanā Al-'Ūlá Wa Mā Naĥnu Bimu`adhdhabīna [37.59] Na onze eerste dood, noch worden gestraft? إِلاَّ مَوْتَتَنَا الأُولَى وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ
'Inna Hādhā Lahuwa Al-Fawzu Al-`Ažīmu [37.60] Voorwaar, dit is de opperste zegepraal." إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ
Limithli Hādhā Falya`mali Al-`Āmilūna [37.61] Laat daarom de werkers voor zo iets werken. لِمِثْلِ هَذَا فَلْيَعْمَلِ الْعَامِلُونَ
'Adhalika Khayrun Nuzulāan 'Am Shajaratu Az-Zaqqūmi [37.62] Is dit een beter onthaal of de boom van Zaqqoem? أَذَلِكَ خَيْر ٌ نُزُلاً أَمْ شَجَرَةُ الزَّقُّومِ
'Innā Ja`alnāhā Fitnatan Lilžžālimīna [37.63] Voorzeker, wij hebben deze tot een beproeving voor de onrechtvaardigen gemaakt. إِنَّا جَعَلْنَاهَا فِتْنَة ً لِلظَّالِمِينَ
'Innahā Shajaratun Takhruju Fī 'Aşli Al-Jaĥīmi [37.64] Het is een boom die uit de bodem der hel ontspringt. إِنَّهَا شَجَرَة ٌ تَخْرُجُ فِي أَصْلِ الْجَحِيمِ
Ţal`uhā Ka'annahu Ru'ūsu Ash-Shayāţīni [37.65] De trossen er van zijn als de koppen van duivels. طَلْعُهَا كَأَنَّه ُُ رُءُوسُ الشَّيَاطِينِ
Fa'innahum La'ākilūna Minhā Famāli'ūna Minhā Al-Buţūna [37.66] En zij zullen er zeker van eten en er hun buik mee vullen. فَإِنَّهُمْ لَآكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِئُونَ مِنْهَا الْبُطُونَ
Thumma 'Inna Lahum `Alayhā Lashawbāan Min Ĥamīmin [37.67] Dan zullen zij bovendien een drank van kokend water ontvangen. ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبا ً مِنْ حَمِيم ٍ
Thumma 'Inna Marji`ahum La'ilá Al-Jaĥīmi [37.68] Daarna zal hun terugkeer zeker naar het Vuur zijn. ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى الْجَحِيمِ
'Innahum 'Alfaw 'Ābā'ahum Đāllīna [37.69] Zij vonden inderdaad hun voorvaderen in dwaling. إِنَّهُمْ أَلْفَوْا آبَاءَهُمْ ضَالِّينَ
Fahum `Alá 'Āthārihim Yuhra`ūna [37.70] En zij haastten zich in hun voetstappen voort. فَهُمْ عَلَى آثَارِهِمْ يُهْرَعُونَ
Wa Laqad Đalla Qablahum 'Aktharu Al-'Awwalīna [37.71] En voorzeker dwaalden vََr hen velen der ouden. وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ الأَوَّلِينَ
Wa Laqad 'Arsalnā Fīhim Mundhirīna [37.72] En Wij hadden waarschuwers tot hen gezonden. وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِمْ مُنذِرِينَ
nžur Kayfa Kāna `Āqibatu Al-Mundharīna [37.73] Ziet dan hoe het einde was van hen die waren gewaarschuwd. فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُنذَرِينَ
'Illā `Ibāda Al-Lahi Al-Mukhlaşīna [37.74] Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah. إِلاَّ عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ
Wa Laqad Nādānā Nūĥun Falani`ma Al-Mujībūna [37.75] Noach riep Ons aan, en hoe uitmuntend zijn Wij in het verhoren. وَلَقَدْ نَادَانَا نُوح ٌ فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ
Wa Najjaynāhu Wa 'Ahlahu Mina Al-Karbi Al-`Ažīmi [37.76] Wij redden hem en zijn familie uit de grote nood; وَنَجَّيْنَاه ُُ وَأَهْلَه ُُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ
Wa Ja`alnā Dhurrīyatahu Humu Al-Bāqīna [37.77] En Wji maakten zijn nakomelingen tot de overlevenden. وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَه ُُ هُمُ الْبَاقِينَ
Wa Taraknā `Alayhi Fī Al-'Ākhirīna [37.78] En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet): وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الآخِرِينَ
Salāmun `Alá Nūĥin Al-`Ālamīna [37.79] "Vrede zij Noach onder de volkeren." سَلاَمٌ عَلَى نُوح ٍ فِي الْعَالَمِينَ
'Innā Kadhālika Naj Al-Muĥsinīna [37.80] Zo belonen Wij inderdaad hen die goed doen. إِنَّا كَذَلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ
'Innahu Min `Ibādinā Al-Mu'uminīna [37.81] Hij was voorzeker één Onzer gelovige dienaren. إِنَّه ُُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ
Thumma 'Aghraq Al-'Ākharīna [37.82] Dan deden Wij de anderen verdrinken. ثُمَّ أَغْرَقْنَا الآخَرِينَ
Wa 'Inna Min Shī`atihi La'ibrāhīma [37.83] En voorwaar, tot zijn partij behoorde Abraham; وَإِنَّ مِنْ شِيعَتِه ِِ لَإِبْرَاهِيمَ
'Idh Jā'a Rabbahu Biqalbin Salīmin [37.84] Toen hij tot zijn Heer kwam met een deemoedig hart; إِذْ جَاءَ رَبَّه ُُ بِقَلْب ٍ سَلِيم ٍ
'Idh Qāla Li'abīhi Wa Qawmihi Mādhā Ta`budūna [37.85] En hij tot zijn vader en tot zijn volk zeide: "Wat aanbidt gij? إِذْ قَالَ لِأَبِيه ِِ وَقَوْمِه ِِ مَاذَا تَعْبُدُونَ
'A'ifkāan 'Ālihatan Dūna Al-Lahi Turīdūna [37.86] Kiest gij valse goden naast Allah? أَئِفْكا ً آلِهَة ً دُونَ اللَّهِ تُرِيدُونَ
Famā Žannukum Birabbi Al-`Ālamīna [37.87] Hoe denkt gij over de Heer der Werelden?" فَمَا ظَنُّكُمْ بِرَبِّ الْعَالَمِينَ
Fanažara Nažratan An-Nujūmi [37.88] En hij (Abraham) redetwistte over de sterren, فَنَظَرَ نَظْرَة ً فِي النُّجُومِ
Faqāla 'Innī Saqīmun [37.89] En zei: "Ik ben er ziek van." فَقَالَ إِنِّي سَقِيم ٌ
Fatawallaw `Anhu Mudbirīna [37.90] En zij wendden zich van hem af en gingen weg. فَتَوَلَّوْا عَنْهُ مُدْبِرِينَ
Farāgha 'Ilá 'Ālihatihim Faqāla 'Alā Ta'kulūna [37.91] En hij ging heimelijk tot hun goden en zeide: "Waarom eet gij niet, فَرَاغَ إِلَى آلِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلاَ تَأْكُلُونَ
Mā Lakum Lā Tanţiqūna [37.92] Wat scheelt u, dat gij niet spreekt?" مَا لَكُمْ لاَ تَنطِقُونَ
Farāgha `Alayhim Đarbāan Bil-Yamīni [37.93] Dan begon hij hen met de rechter hand te slaan. فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبا ً بِالْيَمِينِ
Fa'aqbalū 'Ilayhi Yaziffūna [37.94] En zij (de afgodendienaren) haastten zich naar hem toe. فَأَقْبَلُوا إِلَيْهِ يَزِفُّونَ
Qāla 'Ata`budūna Mā Tanĥitūna [37.95] Hij zeide: "Aanbidt gij hetgeen gij zelf hebt uitgebeeld, قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ
Wa Allāhu Khalaqakum Wa Mā Ta`malūna [37.96] Terwijl Allah u en uw handwerk heeft geschapen?" وَاللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ
Qālū Abnū Lahu Bunyānāan Fa'alqūhu Fī Al-Jaĥīmi [37.97] Zij zeiden: "Laat ons een omheining bouwen en hem in het vuur werpen." قَالُوا ابْنُوا لَه ُُ بُنْيَانا ً فَأَلْقُوه ُُ فِي الْجَحِيمِ
Fa'arādū Bihi Kaydāan Faja`alnāhumu Al-'Asfalīna [37.98] En zij hadden een komplot tegen hem gesmeed, maar Wij vernederden hen. فَأَرَادُوا بِه ِِ كَيْدا ً فَجَعَلْنَاهُمُ الأَسْفَلِينَ
Wa Qāla 'Innī Dhāhibun 'Ilá Rabbī Sayahdīni [37.99] Hij zeide: "Ik ga naar mijn Heer, Die zal mij leiden. وَقَالَ إِنِّي ذَاهِب ٌ إِلَى رَبِّي سَيَهْدِينِ
Rabbi Hab Lī Mina Aş-Şāliĥīna [37.100] Mijn Heer, schenk mij een nakomeling die goed zal zijn." رَبِّ هَبْ لِي مِنَ الصَّالِحِينَ
Fabashsharnāhu Bighulāmin Ĥalīmin [37.101] Dan gaven Wij hem de blijde tijding van een verdraagzame zoon. فَبَشَّرْنَاه ُُ بِغُلاَمٍ حَلِيم ٍ
Falammā Balagha Ma`ahu As-Sa`ya Qāla Yā Bunayya 'Innī 'Ará Fī Al-Manāmi 'Annī 'Adhbaĥuka Fānžur Mādhā Tará  ۚ  Qāla Yā 'Abati Af`al Mā Tu'umaru  ۖ  Satajidunī 'In Shā'a Al-Lahu Mina Aş-Şābirīna [37.102] En toen deze de knapenleeftijd bereikte, zeide hij: "O mijn lieve zoon, ik heb in een droom gezien, dat ik u heb te offeren. Zie, wat zegt gij daarvan?" Deze antwoordde: "O mijn vader doe zoals u bevolen is, gij zult mij, indien Allah het wil, zeker geduldig vinden." فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ السَّعْيَ قَالَ يَابُنَيَّ إِنِّي أَرَى فِي الْمَنَامِ أَنِّي أَذْبَحُكَ فَانظُرْ مَاذَا تَرَى قَالَ  ۚ  يَا أَبَتِ افْعَلْ مَا تُؤْمَرُ سَتَجِدُنِي  ۖ  إِنْ شَاءَ اللَّهُ مِنَ الصَّابِرِينَ
Falammā 'Aslamā Wa Tallahu Liljabīni [37.103] En toen zij zich beiden aan (Gods bevel) hadden onderworpen, en hij hem plat op zijn voorhoofd had gelegd, فَلَمَّا أَسْلَمَا وَتَلَّه ُُ لِلْجَبِينِ
Wa Nādaynāhu 'An Yā 'Ibrāhīmu [37.104] Riepen Wij hem toe: "O Abraham, وَنَادَيْنَاهُ~ُ أَنْ يَا إِبْرَاهِيمُ
Qad Şaddaqta Ar-Ru'uyā  ۚ  'Innā Kadhālika Naj Al-Muĥsinīna [37.105] Gij hebt de droom reeds vervuld. Zo belonen Wij inderdaad degenen, die goed doen." قَد صَدَّقْتَ الرُّؤْيَا  ۚ  إِنَّا كَذَلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ
'Inna Hādhā Lahuwa Al-Balā'u Al-Mubīnu [37.106] Dit was voorzeker een grote beproenng. إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْبَلاَءُ الْمُبِينُ
Wa Fadaynāhu Bidhibĥin `Ažīmin [37.107] En Wij verlosten hem door een groot offer. وَفَدَيْنَاه ُُ بِذِبْحٍ عَظِيم ٍ
Wa Taraknā `Alayhi Fī Al-'Ākhirīna [37.108] En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet): وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الآخِرِينَ
Salāmun `Alá 'Ibrāhīma [37.109] "Vrede zij Abraham." سَلاَمٌ عَلَى إِبْرَاهِيمَ
Kadhālika Naj Al-Muĥsinīna [37.110] Zo belonen Wij hen die goed doen. كَذَلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ
'Innahu Min `Ibādinā Al-Mu'uminīna [37.111] Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren. إِنَّه ُُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ
Wa Bashsharnāhu Bi'isĥāqa Nabīyāan Mina Aş-Şāliĥīna [37.112] Wij gaven hem het blijde nieuws van Izaäk, een profeet onder de rechtvaardigen. وَبَشَّرْنَاه ُُ بِإِسْحَاقَ نَبِيّا ً مِنَ الصَّالِحِينَ
Wa Bāraknā `Alayhi Wa `Alá 'Isĥāqa  ۚ  Wa Min Dhurrīyatihimā Muĥsinun Wa Žālimun Linafsihi Mubīnun [37.113] En Wij zegenden hem en Izaäk. En er zijn er onder hun nageslacht die goed doen en anderen die zichzelf openlijk onrecht aandoen. وَبَارَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَى إِسْحَاقَ  ۚ  وَمِنْ ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِن ٌ وَظَالِم ٌ لِنَفْسِه ِِ مُبِين ٌ
Wa Laqad Manannā `Alá Mūsá Wa Hārūna [37.114] Wij bewezen inderdaad gunsten aan Mozes en Aäron. وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَى مُوسَى وَهَارُونَ
Wa Najjaynāhumā Wa Qawmahumā Mina Al-Karbi Al-`Ažīmi [37.115] En Wij redden hen beiden en hun volk uit een grote nood; وَنَجَّيْنَاهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ
Wa Naşarnāhum Fakānū Humu Al-Ghālibīna [37.116] En Wij hielpen hen (tegen de Egyptenaren) en zij waren het die de overwinning verkregen. وَنَصَرْنَاهُمْ فَكَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ
Wa 'Ātaynāhumā Al-Kitāba Al-Mustabīna [37.117] En Wij gaven hun het duidelijke boek. وَآتَيْنَاهُمَا الْكِتَابَ الْمُسْتَبِينَ
Wa Hadaynāhumā Aş-Şirāţa Al-Mustaqīma [37.118] En leidden hen op het rechte pad. وَهَدَيْنَاهُمَا الصِّرَاطَ الْمُسْتَقِيمَ
Wa Taraknā `Alayhimā Fī Al-'Ākhirīna [37.119] Wij lieten voor hen, onder de komende geslachten (de groet): وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِي الآخِرِينَ
Salāmun `Alá Mūsá Wa Hārūna [37.120] "Vrede zij Mozes en Aäron." سَلاَمٌ عَلَى مُوسَى وَهَارُونَ
'Innā Kadhālika Naj Al-Muĥsinīna [37.121] Voorzeker zo belonen Wij degenen die goed doen. إِنَّا كَذَلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ
'Innahumā Min `Ibādinā Al-Mu'uminīna [37.122] Voorwaar zij behoorden tot Onze gelovige dienaren. إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ
Wa 'Inna 'Ilyāsa Lamina Al-Mursalīna [37.123] En Elias was ََk een der boodschappers وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ
'Idh Qāla Liqawmihi 'Alā Tattaqūna [37.124] Toen hij tot zijn volk zeide, "Wilt gij niet godvruchtig zijn? إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ~ِ أَلاَ تَتَّقُونَ
'Atad`ūna Ba`lāan Wa Tadharūna 'Aĥsana Al-Khāliqīna [37.125] Wilt gij Baäl aanroepen en de beste Schepper verzaken, أَتَدْعُونَ بَعْلا ً وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ الْخَالِقِينَ
Al-Laha Rabbakum Wa Rabba 'Ābā'ikumu Al-'Awwalīna [37.126] Allah, uw Heer en de Heer uwer voorvaderen?" اللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ آبَائِكُمُ الأَوَّلِينَ
Fakadhdhabūhu Fa'innahum Lamuĥđarūna [37.127] Maar zij verloochenden hem en zij zullen zeker worden overgeleverd. فَكَذَّبُوه ُُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ
'Illā `Ibāda Al-Lahi Al-Mukhlaşīna [37.128] Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah. إِلاَّ عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ
Wa Taraknā `Alayhi Fī Al-'Ākhirīna [37.129] En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet): وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الآخِرِينَ
Salāmun `Alá 'Il Yā -Sīn [37.130] "Vrede zij Elias." سَلاَمٌ عَلَى إِلْ يَا-سِين
'Innā Kadhālika Naj Al-Muĥsinīna [37.131] Voorzeker zo belonen Wij degenen, die goed doen. إِنَّا كَذَلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ
'Innahu Min `Ibādinā Al-Mu'uminīna [37.132] Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren. إِنَّه ُُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ
Wa 'Inna Lūţāan Lamina Al-Mursalīna [37.133] En Lot was voorzeker ََk een der boodschappers. وَإِنَّ لُوطا ً لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ
'Idh Najjaynāhu Wa 'Ahlahu 'Ajma`īna [37.134] Toen Wij hem en zijn familieleden redden, إِذْ نَجَّيْنَاه ُُ وَأَهْلَهُ~ُ أَجْمَعِينَ
'Illā `Ajūzāan Al-Ghābirīna [37.135] Met uitzoudering van zijn vrouw die tot de achterblijvenden beboorde. إِلاَّ عَجُوزا ً فِي الْغَابِرِينَ
Thumma Dammarnā Al-'Ākharīna [37.136] En Wij vernietigden de anderen. ثُمَّ دَمَّرْنَا الآخَرِينَ
Wa 'Innakum Latamurrūna `Alayhim Muşbiĥīna [37.137] En gij gaat hen (de plaats waar dezen woonden) zeker 's morgens voorbij وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِمْ مُصْبِحِينَ
Wa Bil-Layli  ۗ  'Afalā Ta`qilūna [37.138] En 's avonds. Wilt gij dan niet begrijpen? وَبِاللَّيْلِ  ۗ  أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
Wa 'Inna Yūnis Lamina Al-Mursalīna [37.139] En Jonas was voorzeker ook een der boodchappers. وَإِنَّ يُونِس لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ
'Idh 'Abaqa 'Ilá Al-Fulki Al-Mashĥūni [37.140] Toen hij in het geladen schip vluchtte, إِذْ أَبَقَ إِلَى الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ
Fasāhama Fakāna Mina Al-Mudĥađīna [37.141] En hij lootte en werd (overboord) geworpen. فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ الْمُدْحَضِينَ
Fāltaqamahu Al-Ĥūtu Wa Huwa Mulīmun [37.142] Een grote vis slokte hem op terwijl hij zelfverwijt had. فَالْتَقَمَهُ الْحُوتُ وَهُوَ مُلِيم ٌ
Falawlā 'Annahu Kāna Mina Al-Musabbiĥīna [37.143] Indien hij niet behoorde tot hen die Ons verheerlijken, فَلَوْلاَ أَنَّه ُُ كَانَ مِنَ الْمُسَبِّحِينَ
Lalabitha Fī Baţnihi 'Ilá Yawmi Yub`athūna [37.144] Dan zou hij in diens buik zijn gebleven tot de Dag der Opstanding. لَلَبِثَ فِي بَطْنِهِ~ِ إِلَى يَوْمِ يُبْعَثُونَ
Fanabadhnāhu Bil-`Arā'i Wa Huwa Saqīmun [37.145] Wij wierpen hem op een kaal strand terwijl hij ziek was. فَنَبَذْنَاه ُُ بِالْعَرَاءِ وَهُوَ سَقِيم ٌ
Wa 'Anbatnā `Alayhi Shajaratan Min Yaqţīnin [37.146] En Wij lieten een pompoen voor hem opgroeien. وَأَنْبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَة ً مِنْ يَقْطِين ٍ
Wa 'Arsalnāhu 'Ilá Miā'ati 'Alfin 'Aw Yazīdūna [37.147] En Wij zonden hem als boodschapper tot honderdduizend of meer mensen. وَأَرْسَلْنَاهُ~ُ إِلَى مِائَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ
Fa'āmanū Famatta`nāhum 'Ilá Ĥīnin [37.148] En zij geloofden, daarom gaven Wij hun voor een korte tijd de voorziening (van dit leven). فَآمَنُوا فَمَتَّعْنَاهُمْ إِلَى حِين ٍ
Fāstaftihim 'Alirabbika Al-Banātu Wa Lahumu Al-Banūna [37.149] Vraag hun nu of hun Heer dochters heeft terwijl zij zonen hebben? فَاسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ الْبَنَاتُ وَلَهُمُ الْبَنُونَ
'Am Khalaq Al-Malā'ikata 'Ināthāan Wa Hum Shāhidūna [37.150] Hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen, terwijl zij getuigen waren? أَمْ خَلَقْنَا الْمَلاَئِكَةَ إِنَاثا ً وَهُمْ شَاهِدُونَ
'Alā 'Innahum Min 'Ifkihim Layaqūlūna [37.151] Welnu, door hun verzinsel zeggen zij: أَلاَ إِنَّهُمْ مِنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ
Walada Al-Lahu Wa 'Innahum Lakādhibūna [37.152] "Allah heeft verwekt." Maar zij zijn stellig leugenaars. وَلَدَ اللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ
'Āşţafá Al-Banāti `Alá Al-Banīna [37.153] "Heeft Hij dochters gekozen boven zonen? أَاصْطَفَى الْبَنَاتِ عَلَى الْبَنِينَ
Mā Lakum Kayfa Taĥkumūna [37.154] Wat scheelt u? Hoe oordeelt gij? مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ
'Afalā Tadhakkarūn [37.155] Wilt gij dan niet nadenken? أَفَلاَ تَذَكَّرُون
'Am Lakum Sulţānun Mubīnun [37.156] Of hebt gij een duidelijk bewijs? أَمْ لَكُمْ سُلْطَان ٌ مُبِين ٌ
Fa'tū Bikitābikum 'In Kuntum Şādiqīna [37.157] Toont dan uw Boek, indien gij waarachtig zijt." فَأْتُوا بِكِتَابِكُمْ إِنْ كُنتُمْ صَادِقِينَ
Wa Ja`alū Baynahu Wa Bayna Al-Jinnati Nasabāan  ۚ  Wa Laqad `Alimati Al-Jinnatu 'Innahum Lamuĥđarūna [37.158] En zij beweren een bloedverwantschap tussen Hem en de djinn, terwijl de djinn zeer goed weten, dat zij voor Hem zullen worden gebracht. وَجَعَلُوا بَيْنَه ُُ وَبَيْنَ الْجِنَّةِ نَسَبا ً  ۚ  وَلَقَدْ عَلِمَتِ الْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ
Subĥāna Al-Lahi `Ammā Yaşifūna [37.159] Verheven is Allah boven hetgeen zij zeggen. سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ
'Illā `Ibāda Al-Lahi Al-Mukhlaşīna [37.160] Met uitzondering van de uitverkoren dienaren van Allah. إِلاَّ عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ
Fa'innakum Wa Mā Ta`budūna [37.161] Voorwaar, gij en wat gij aanbidt, فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ
Mā 'Antum `Alayhi Bifātinīna [37.162] Gij kunt niemand verleiden tegen Hem. مَا أَنْتُمْ عَلَيْهِ بِفَاتِنِينَ
'Illā Man Huwa Şālī Al-Jaĥīmi [37.163] Behalve hem die het Vuur zal binnengaan. إِلاَّ مَنْ هُوَ صَالِي الْجَحِيمِ
Wa Mā Minnā 'Illā Lahu Maqāmun Ma`lūmun [37.164] En er is niet één onzer of hij heeft een vaste plaats. وَمَا مِنَّا إِلاَّ لَه ُُ مَقَام ٌ مَعْلُوم ٌ
Wa 'Innā Lanaĥnu Aş-Şāffūna [37.165] Waarlijk wij zijn degenen die in rijen gerangschikt zijn. وَإِنَّا لَنَحْنُ الصَّافُّونَ
Wa 'Innā Lanaĥnu Al-Musabbiĥūna [37.166] En voorzeker wij verheerlijken (God). وَإِنَّا لَنَحْنُ الْمُسَبِّحُونَ
Wa 'In Kānū Layaqūlūna [37.167] En zij plachten te zeggen: وَإِنْ كَانُوا لَيَقُولُونَ
Law 'Anna `Indanā Dhikrāan Mina Al-'Awwalīna [37.168] "Als wij een vermaning hadden gehad van de ouden. لَوْ أَنَّ عِنْدَنَا ذِكْرا ً مِنَ الأَوَّلِينَ
Lakunnā `Ibāda Al-Lahi Al-Mukhlaşīna [37.169] Zouden wij zeker Allah's uitverkoren dienaren zijn geworden." لَكُنَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ
Fakafarū Bihi  ۖ  Fasawfa Ya`lamūna [37.170] Toch verwerpen zij deze, maar zij zullen het weldra te weten komen. فَكَفَرُوا بِه ِِ  ۖ  فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ
Wa Laqad Sabaqat Kalimatunā Li`ibādinā Al-Mursalīn [37.171] En waarlijk, Ons woord aangaande Onze dienaren, de boodschappers, is reeds uitgesproken. وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الْمُرْسَلِين
'Innahum Lahumu Al-Manşūrūna [37.172] Voorzeker, zij zijn het die geholpen zullen worden. إِنَّهُمْ لَهُمُ الْمَنصُورُونَ
Wa 'Inna Jundanā Lahumu Al-Ghālibūna [37.173] En Onze schare is gewis overwinnaar. وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ الْغَالِبُونَ
Fatawalla `Anhum Ĥattá Ĥīnin [37.174] Wend u daarom voor een wijle van hen af. فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّى حِين ٍ
Wa 'Abşirhum Fasawfa Yubşirūna [37.175] En sla hen gade; want zij zullen het weldra inzien وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ
'Afabi`adhābinā Yasta`jilūna [37.176] Willen zij dan Onze straf verhaasten? أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ
Fa'idhā Nazala Bisāĥatihim Fasā'a Şabāĥu Al-Mundharīna [37.177] Maar wanneer deze op hun land nederdaalt zal de dag slecht zijn voor degenen, die werden gewaarschuwd. فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنذَرِينَ
Wa Tawalla `Anhum Ĥattá Ĥīnin [37.178] Wend u daarom voor een wijle van hen af. وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّى حِين ٍ
Wa 'Abşir Fasawfa Yubşirūna [37.179] En let op, zij zullen het weldra inzien. وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ
Subĥāna Rabbika Rabbi Al-`Izzati `Ammā Yaşifūna [37.180] Verheven is uw Heer, de Heer van Roem en Macht, boven hetgeen zij zeggen! سُبْحَانَ رَبِّكَ رَبِّ الْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ
Wa Salāmun `Alá Al-Mursalīna [37.181] En vrede zij de boodschappers! وَسَلاَمٌ عَلَى الْمُرْسَلِينَ
Wa Al-Ĥamdu Lillahi Rabbi Al-`Ālamīna [37.182] En alle roem behoort aan Allah, de Heer der Werelden. وَالْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ
Next Sūrah