7) Sūrat Al-'A`rāf

Printed format

7) سُورَة الأَعرَاف

'Alif-Lām-Mīm-Şād [7.1] Alif Laam Miem Saad. أَلِف-لَام-مِيم-صَاد
Kitābun 'Unzila 'Ilayka Falā Yakun Fī Şadrika Ĥarajun Minhu Litundhira Bihi Wa Dhikrá Lilmu'uminīna [7.2] (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard - laat er daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; - dit is een aanmaning voor de gelovigen. كِتَابٌ أُنزِلَ إِلَيْكَ فَلاَ يَكُنْ فِي صَدْرِكَ حَرَج ٌ مِنْهُ لِتُنذِرَ بِه ِِ وَذِكْرَى لِلْمُؤْمِنِينَ
Attabi`ū Mā 'Unzila 'Ilaykum Min Rabbikum Wa Lā Tattabi`ū Min Dūnihi 'Awliyā'a  ۗ  Qalīlāan Mā Tadhakkarūna [7.3] Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt geen andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die gij trekt. اتَّبِعُوا مَا أُنْزِلَ إِلَيْكُمْ مِنْ رَبِّكُمْ وَلاَ تَتَّبِعُوا مِنْ دُونِهِ~ِ أَوْلِيَاءَ  ۗ  قَلِيلا ً مَا تَذَكَّرُونَ
Wa Kam Min Qaryatin 'Ahlaknāhā Fajā'ahā Ba'sunā Bayātāan 'Aw Hum Qā'ilūna [7.4] Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf overviel hen gedurende de nacht of tijdens de middagslaap. وَكَمْ مِنْ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا فَجَاءَهَا بَأْسُنَا بَيَاتاً أَوْ هُمْ قَائِلُونَ
Famā Kāna Da`wāhum 'Idh Jā'ahum Ba'sunā 'Illā 'An Qālū 'Innā Kunnā Žālimīna [7.5] Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders dan dat zij zeiden: "Wij waren inderdaad onrechtvaardigen." فَمَا كَانَ دَعْوَاهُمْ إِذْ جَاءَهُمْ بَأْسُنَا إِلاَّ أَنْ قَالُوا إِنَّا كُنَّا ظَالِمِينَ
Falanas'alanna Al-Ladhīna 'Ursila 'Ilayhim Wa Lanas'alanna Al-Mursalīna [7.6] En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren gezonden zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook ondervragen. فَلَنَسْأَلَنَّ الَّذِينَ أُرْسِلَ إِلَيْهِمْ وَلَنَسْأَلَنَّ الْمُرْسَلِينَ
Falanaquşşanna `Alayhim Bi`ilmin  ۖ  Wa Mā Kunnā Ghā'ibīna [7.7] Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want Wij zijn nooit afwezig. فَلَنَقُصَّنَّ عَلَيْهِمْ بِعِلْم ٍ  ۖ  وَمَا كُنَّا غَائِبِينَ
Wa Al-Waznu Yawma'idhin  ۚ  Al-Ĥaqqu Faman Thaqulat Mawāzīnuhu Fa'ūlā'ika Humu Al-Mufliĥūna [7.8] En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag eerlijk zijn. Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen. وَالْوَزْنُ يَوْمَئِذ ٍ الْحَقُّ  ۚ  فَمَنْ ثَقُلَتْ مَوَازِينُه ُُ فَأُوْلَائِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ
Wa Man Khaffat Mawāzīnuhu Fa'ūlā'ika Al-Ladhīna Khasirū 'Anfusahum Bimā Kānū Bi'āyātinā Yažlimūna [7.9] En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun zielen tekort, omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren. وَمَنْ خَفَّتْ مَوَازِينُه ُُ فَأُوْلَائِكَ الَّذِينَ خَسِرُوا أَنفُسَهُمْ بِمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَظْلِمُونَ
Wa Laqad Makkannākum Al-'Arđi Wa Ja`alnā Lakum Fīhā Ma`āyisha  ۗ  Qalīlāan Mā Tashkurūna [7.10] En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van middelen van bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar zijt gij! وَلَقَدْ مَكَّنَّاكُمْ فِي الأَرْضِ وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَايِشَ  ۗ  قَلِيلا ً مَا تَشْكُرُونَ
Wa Laqad Khalaqnākum Thumma Şawwarnākum Thumma Qulnā Lilmalā'ikati Asjudū Li'dama Fasajadū 'Illā 'Iblīsa Lam Yakun Mina As-Sājidīna [7.11] Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen. وَلَقَدْ خَلَقْنَاكُمْ ثُمَّ صَوَّرْنَاكُمْ ثُمَّ قُلْنَا لِلْمَلاَئِكَةِ اسْجُدُوا لِأدَمَ فَسَجَدُوا إِلاَّ إِبْلِيسَ لَمْ يَكُنْ مِنَ السَّاجِدِينَ
Qāla Mā Mana`aka 'Allā Tasjuda 'Idh 'Amartuka  ۖ  Qāla 'Anā Khayrun Minhu Khalaqtanī Min Nārin Wa Khalaqtahu Min Ţīnin [7.12] (Allah) zeide: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen. قَالَ مَا مَنَعَكَ أَلاَّ تَسْجُدَ إِذْ أَمَرْتُكَ  ۖ  قَالَ أَنَا خَيْر ٌ مِنْهُ خَلَقْتَنِي مِنْ نَار ٍ وَخَلَقْتَه ُُ مِنْ طِين ٍ
Qāla Fāhbiţ Minhā Famā Yakūnu Laka 'An Tatakabbara Fīhā Fākhruj 'Innaka Mina Aş-Şāghirīna [7.13] (Allah) zeide: "Verwijder u van hier - het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden." قَالَ فَاهْبِطْ مِنْهَا فَمَا يَكُونُ لَكَ أَنْ تَتَكَبَّرَ فِيهَا فَاخْرُجْ إِنَّكَ مِنَ الصَّاغِرِينَ
Qāla 'Anžirnī 'Ilá Yawmi Yub`athūna [7.14] Hij zeide: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt." قَالَ أَنظِرْنِي إِلَى يَوْمِ يُبْعَثُونَ
Qāla 'Innaka Mina Al-Munžarīna [7.15] (Allah) zeide: "U is uitstel verleend." قَالَ إِنَّكَ مِنَ الْمُنظَرِينَ
Qāla Fabimā 'Aghwaytanī La'aq`udanna Lahum Şirāţaka Al-Mustaqīma [7.16] Hij antwoordde: "Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad." قَالَ فَبِمَا أَغْوَيْتَنِي لَأَقْعُدَنَّ لَهُمْ صِرَاطَكَ الْمُسْتَقِيمَ
Thumma La'ātiyannahum Min Bayni 'Aydīhim Wa Min Khalfihim Wa `An 'Aymānihim Wa `An Shamā'ilihim  ۖ  Wa Lā Tajidu 'Aktharahum Shākirīna [7.17] "Dan zal ik mij gewis vََr hen en achter hen en van hun rechter en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet dankbaar vinden." ثُمَّ لَآتِيَنَّهُمْ مِنْ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ وَمِنْ خَلْفِهِمْ وَعَنْ أَيْمَانِهِمْ وَعَنْ شَمَائِلِهِمْ  ۖ  وَلاَ تَجِدُ أَكْثَرَهُمْ شَاكِرِينَ
Qāla Akhruj Minhā Madh'ūmāan Madĥūrāan  ۖ  Laman Tabi`aka Minhum La'amla'anna Jahannama Minkum 'Ajma`īna [7.18] (Allah) zeide: "Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen." قَالَ اخْرُجْ مِنْهَا مَذْءُوما ً مَدْحُورا ً  ۖ  لَمَنْ تَبِعَكَ مِنْهُمْ لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنْكُمْ أَجْمَعِينَ
Wa Yā'ādamu Askun 'Anta Wa Zawjuka Al-Jannata Fakulā Min Ĥaythu Shi'tumā Wa Lā Taqrabā Hadhihi Ash-Shajarata Fatakūnā Mina Až-Žālimīna [7.19] "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat gij wilt, maar nadert deze boom niet, anders zult gij tot de onrechtvaardigen behoren." وَيَاآدَمُ اسْكُنْ أَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ فَكُلاَ مِنْ حَيْثُ شِئْتُمَا وَلاَ تَقْرَبَا هَذِهِ الشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ الظَّالِمِينَ
Fawaswasa Lahumā Ash-Shayţānu Liyubdiya Lahumā Mā Wūriya `Anhumā Min Saw'ātihimā Wa Qāla Mā Nahākumā Rabbukumā `An Hadhihi Ash-Shajarati 'Illā 'An Takūnā Malakayni 'Aw Takūnā Mina Al-Khālidīna [7.20] Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: "Uw Heer heeft u deze boom alleen verboden, opdat gij geen engelen of eeuwig- levenden zoudt worden." فَوَسْوَسَ لَهُمَا الشَّيْطَانُ لِيُبْدِيَ لَهُمَا مَا وُورِيَ عَنْهُمَا مِنْ سَوْآتِهِمَا وَقَالَ مَا نَهَاكُمَا رَبُّكُمَا عَنْ هَذِهِ الشَّجَرَةِ إِلاَّ أَنْ تَكُونَا مَلَكَيْنِ أَوْ تَكُونَا مِنَ الْخَالِدِينَ
Wa Qāsamahumā 'Innī Lakumā Lamina An-Nāşiĥīna [7.21] En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een oprechte raadgever." وَقَاسَمَهُمَا إِنِّي لَكُمَا لَمِنَ النَّاصِحِينَ
Fadallāhumā Bighurūrin  ۚ  Falammā Dhāqā Ash-Shajarata Badat Lahumā Saw'ātuhumā Wa Ţafiqā Yakhşifāni `Alayhimā Min Waraqi Al-Jannati  ۖ  Wa Nādāhumā Rabbuhumā 'Alam 'Anhakumā `An Tilkumā Ash-Shajarati Wa 'Aqul Lakumā 'Inna Ash-Shayţāna Lakumā `Adūwun Mubīnun [7.22] Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide: "Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: 'Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u'?" فَدَلاَّهُمَا بِغُرُور ٍ  ۚ  فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَةَ بَدَتْ لَهُمَا سَوْآتُهُمَا وَطَفِقَا يَخْصِفَانِ عَلَيْهِمَا مِنْ وَرَقِ الْجَنَّةِ  ۖ  وَنَادَاهُمَا رَبُّهُمَا أَلَمْ أَنْهَكُمَا عَنْ تِلْكُمَا الشَّجَرَةِ وَأَقُلْ لَكُمَا إِنَّ الشَّيْطَانَ لَكُمَا عَدُوّ ٌ مُبِين ٌ
Qālā Rabbanā Žalamnā 'Anfusanā Wa 'In Lam Taghfir Lanā Wa Tarĥamnā Lanakūnanna Mina Al-Khāsirīna [7.23] Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren. قَالاَ رَبَّنَا ظَلَمْنَا أَنفُسَنَا وَإِنْ لَمْ تَغْفِرْ لَنَا وَتَرْحَمْنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ الْخَاسِرِينَ
Qāla Ahbiţū Ba`đukum Liba`đin `Adūwun  ۖ  Wa Lakum Al-'Arđi Mustaqarrun Wa Matā`un 'Ilá Ĥīnin [7.24] Hij zeide: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd." قَالَ اهْبِطُوا بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوّ ٌ  ۖ  وَلَكُمْ فِي الأَرْضِ مُسْتَقَرّ ٌ وَمَتَاع ٌ إِلَى حِين ٍ
Qāla Fīhā Taĥyawna Wa Fīhā Tamūtūna Wa Minhā Tukhrajūna [7.25] Hij zeide: "Gij zult daarop leven en sterven en gij zult daarvandaan worden opgewekt." قَالَ فِيهَا تَحْيَوْنَ وَفِيهَا تَمُوتُونَ وَمِنْهَا تُخْرَجُونَ
Yā Banī 'Ādama Qad 'Anzalnā `Alaykum Libāsāan Yuwārī Saw''ātikum Wa Rīshāan  ۖ  Wa Libāsu At-TaqDhālika Khayrun  ۚ  Dhālika Min 'Āyā Ti Al-Lahi La`allahum Yadhdhakkarūna [7.26] O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn, doch het kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van Allah, opdat zij er lering uit mogen trekken. يَابَنِي آدَمَ قَدْ أَنزَلْنَا عَلَيْكُمْ لِبَاسا ً يُوَارِي سَوْءآتِكُمْ وَرِيشا ً وَلِبَاسُ  ۖ  التَّقْوَى ذَلِكَ خَيْر ٌ ذَلِكَ  ۚ  مِنْ آيَاتِ اللَّهِ لَعَلَّهُمْ يَذَّكَّرُونَ
Yā Banī 'Ādama Lā Yaftinannakumu Ash-Shayţānu Kamā 'Akhraja 'Abawaykum Mina Al-Jannati Yanzi`u `Anhumā Libāsahumā Liyuriyahumā Saw''ātihimā  ۗ  'Innahu Yarākum Huwa Wa Qabīluhu Min Ĥaythu Lā Tarawnahum  ۗ  'Innā Ja`alnā Ash-Shayā Ţīna 'Awliyā 'A Lilladhīna Lā Yu'uminūna [7.27] O kinderen van Adam, laat Satan u niet verleiden, zoals hij uw ouders uit het paradijs verdreef en hen van hun kleding beroofde, opdat hij hun hun naaktheid mocht tonen. Waarlijk, hij ziet u, hij en zijn stam, vanwaar gij hen niet ziet. Voorzeker, Wij hebben de duivelen vrienden gemaakt voor hen, die niet geloven. يَابَنِي آدَمَ لاَ يَفْتِنَنَّكُمُ الشَّيْطَانُ كَمَا أَخْرَجَ أَبَوَيْكُمْ مِنَ الْجَنَّةِ يَنزِعُ عَنْهُمَا لِبَاسَهُمَا لِيُرِيَهُمَا سَوْءآتِهِمَا إِنَّه ُُ  ۗ  يَرَاكُمْ هُوَ وَقَبِيلُه ُُ مِنْ حَيْثُ لاَ تَرَوْنَهُمْ إِنَّا  ۗ  جَعَلْنَا الشَّيَاطِينَ أَوْلِيَاءَ لِلَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ
Wa 'Idhā Fa`alū Fāĥishatan Qālū Wajadnā `Alayhā 'Ābā'anā Wa Allāhu 'Amaranā Bihā  ۗ  Qul 'Inna Al-Laha Lā Ya'muru Bil-Faĥshā'i  ۖ  'Ataqūlūna `Alá Al-Lahi Mā Lā Ta`lamūna [7.28] En wanneer zij een slechte daad begaan, zeggen zij: "Wij zagen dit onze vaderen doen en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Allah legt nooit slechte daden op. Zegt gij van Allah, hetgeen gij niet weet?" وَإِذَا فَعَلُوا فَاحِشَة ً قَالُوا وَجَدْنَا عَلَيْهَا آبَاءَنَا وَاللَّهُ أَمَرَنَا بِهَا  ۗ  قُلْ إِنَّ اللَّهَ لاَ يَأْمُرُ بِالْفَحْشَاءِ  ۖ  أَتَقُولُونَ عَلَى اللَّهِ مَا لاَ تَعْلَمُونَ
Qul 'Amara Rabbī Bil-Qisţi  ۖ  Wa 'Aqīmū Wujūhakum `Inda Kulli Masjidin Wa Ad`ūhu Mukhlişīna Lahu Ad-Dīna  ۚ  Kamā Bada'akum Ta`ūdūna [7.29] Zeg: "Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen. En dat gij uw aandacht behoorlijk richt, ter gelegenheid van aanbidding en Hem aanroept in zuivere gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij u deed ontstaan, zo zult gij wederkeren. قُلْ أَمَرَ رَبِّي بِالْقِسْطِ  ۖ  وَأَقِيمُوا وُجُوهَكُمْ عِنْدَ كُلِّ مَسْجِد ٍ وَادْعُوه ُُ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ  ۚ  كَمَا بَدَأَكُمْ تَعُودُونَ
Farīqāan Hadá Wa Farīqāan Ĥaqqa `Alayhimu Ađ-Đalālatu  ۗ  'Innahumu Attakhadhū Ash-Shayāţīna 'Awliyā'a Min Dūni Al-Lahi Wa Yaĥsabūna 'Annahum Muhtadūna [7.30] Sommigen heeft Hij geleid en bij anderen werd dwaling hun deel. Zij hebben buiten Allah de bozen tot vrienden genomen en zij denken dat zij recht geleid zijn. فَرِيقاً هَدَى وَفَرِيقاً حَقَّ عَلَيْهِمُ الضَّلاَلَةُ  ۗ  إِنَّهُمُ اتَّخَذُوا الشَّيَاطِينَ أَوْلِيَاءَ مِنْ دُونِ اللَّهِ وَيَحْسَبُونَ أَنَّهُمْ مُهْتَدُونَ
Yā Banī 'Ādama Khudhū Zīnatakum `Inda Kulli Masjidin Wa Kulū Wa Ashrabū Wa Lā Tusrifū  ۚ  'Innahu Lā Yuĥibbu Al-Musrifīna [7.31] O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter gelegenheid van aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de verkwisters zeker niet lief. يَابَنِي آدَمَ خُذُوا زِينَتَكُمْ عِنْدَ كُلِّ مَسْجِد ٍ وَكُلُوا وَاشْرَبُوا وَلاَ تُسْرِفُوا إِنَّهُ  ۚ  لاَ يُحِبُّ الْمُسْرِفِينَ
Qul Man Ĥarrama Zīnata Al-Lahi Allatī 'Akhraja Li`ibādihi Wa Aţ-Ţayyibāti Mina Ar-Rizqi  ۚ  Qul Hiya Lilladhīna 'Āmanū Fī Al-Ĥayāati Ad-DunKhālişatan Yawma Al-Qiyāmati  ۗ  Kadhālika Nufaşşilu Al-'Āyāti Liqawmin Ya`lamūna [7.32] Zeg: "Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn dienaren heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?" Zeg: "Zij zijn ook voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen op de Dag der Opstanding." Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk dat begrip heeft. قُلْ مَنْ حَرَّمَ زِينَةَ اللَّهِ الَّتِي أَخْرَجَ لِعِبَادِه ِِ وَالطَّيِّبَاتِ مِنَ الرِّزْقِ  ۚ  قُلْ هِيَ لِلَّذِينَ آمَنُوا فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا خَالِصَة ً يَوْمَ الْقِيَامَةِ  ۗ  كَذَلِكَ نُفَصِّلُ الآيَاتِ لِقَوْم ٍ يَعْلَمُونَ
Qul 'Innamā Ĥarrama Rabbiya Al-Fawāĥisha Mā Žahara Minhā Wa Mā Baţana Wa Al-'Ithma Wa Al-Baghya Bighayri Al-Ĥaqqi Wa 'An Tushrikū Bil-Lahi Mā Lam Yunazzil Bihi Sulţānāan Wa 'An Taqūlū `Alá Al-Lahi Mā Lā Ta`lamūna [7.33] Zeg: "Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk of in het geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat gij datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft nedergezonden en dat gij van Allah dingen zegt, die gij niet weet. قُلْ إِنَّمَا حَرَّمَ رَبِّيَ الْفَوَاحِشَ مَا ظَهَرَ مِنْهَا وَمَا بَطَنَ وَالإِثْمَ وَالْبَغْيَ بِغَيْرِ الْحَقِّ وَأَنْ تُشْرِكُوا بِاللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِه ِِ سُلْطَانا ً وَأَنْ تَقُولُوا عَلَى اللَّهِ مَا لاَ تَعْلَمُونَ
Wa Likulli 'Ummatin 'Ajalun  ۖ  Fa'idhā Jā'a 'Ajaluhum Lā Yasta'khirūna Sā`atan  ۖ  Wa Lā Yastaqdimūna [7.34] En er is voor elk volk een termijn en wanneer hun tijd is gekomen kunnen zij geen uur uitstel krijgen, noch kunnen zij vooruitlopen. وَلِكُلِّ أُمَّةٍ أَجَل ٌ  ۖ  فَإِذَا جَاءَ أَجَلُهُمْ لاَ يَسْتَأْخِرُونَ سَاعَة ً  ۖ  وَلاَ يَسْتَقْدِمُونَ
Yā Banī 'Ādama 'Immā Ya'tiyannakum Rusulun Minkum Yaquşşūna `Alaykum 'Āyā  ۙ  Tī Famani Attaqá Wa 'Aşlaĥa Falā Khawfun `Alayhim Wa Lā Hum Yaĥzanūna [7.35] O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren. يَابَنِي آدَمَ إِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ رُسُل ٌ مِنْكُمْ يَقُصُّونَ عَلَيْكُمْ آيَاتِي فَمَنِ  ۙ  اتَّقَى وَأَصْلَحَ فَلاَ خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلاَ هُمْ يَحْزَنُونَ
Wa Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa Astakbarū `Anhā 'Ūlā'ika 'Aşĥābu  ۖ  An-Nāri Hum Fīhā Khālidūna [7.36] Maar zij, die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afkeren - dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij zullen daarin vertoeven. وَالَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَاسْتَكْبَرُوا عَنْهَا أُوْلَائِكَ أَصْحَابُ النَّارِ  ۖ  هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
Faman 'Ažlamu Mimmani Aftará `Alá Al-Lahi Kadhibāan 'Aw Kadhdhaba Bi'āyātihi  ۚ  'Ūlā'ika Yanāluhum Naşībuhum Mina Al-Kitābi  ۖ  Ĥattá 'Idhā Jā'at/hum Rusulunā Yatawaffawnahum Qālū 'Ayna Mā Kuntum Tad`ūna Min Dūni Al-Lahi  ۖ  Qālū Đallū `Annā Wa Shahidū `Alá 'Anfusihim 'Annahum Kānū Kāfirīna [7.37] Wie is dan onrechtvaardiger dan hij, die een leugen over Allah uit, of Zijn tekenen verloochent? Dezen zijn het, die hun lot zullen ondergaan zoals het verordend is, als Onze boodschappers hen zullen bezoeken om hun zielen weg te nemen; zij zullen hen vragen: "Waar is hetgeen gij naast Allah aanriept?" Zij zullen antwoorden: "Het is verloren geraakt voor ons," en zij zullen tegen zichzelven getuigen, dat zij ongelovig waren. فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَى عَلَى اللَّهِ كَذِباً أَوْ كَذَّبَ بِآيَاتِهِ~ِ  ۚ  أُوْلَائِكَ يَنَالُهُمْ نَصِيبُهُمْ مِنَ الْكِتَابِ  ۖ  حَتَّى إِذَا جَاءَتْهُمْ رُسُلُنَا يَتَوَفَّوْنَهُمْ قَالُوا أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَدْعُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ  ۖ  قَالُوا ضَلُّوا عَنَّا وَشَهِدُوا عَلَى أَنْفُسِهِمْ أَنَّهُمْ كَانُوا كَافِرِينَ
Qāla Adkhulū Fī 'Umamin Qad Khalat Min Qablikum Mina Al-Jinni Wa Al-'Insi Fī An-Nāri  ۖ  Kullamā Dakhalat 'Ummatun La`anat 'Ukhtahā  ۖ  Ĥattá 'Idhā Addārakū Fīhā Jamī`āan Qālat 'Ukhrāhum Li'wlāhum Rabbanā Hā'uulā' 'Ađallūnā Fa'ātihim `Adhābāan Đi`fāan Mina An-Nāri  ۖ  Qāla Likullin Đi`fun Wa Lakin Lā Ta`lamūna [7.38] Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn en mensen die vََr u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een volk er binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer zij er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom een dubbele straf van het Vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Er is voor iedereen het dubbele, maar gij weet het niet.'' قَالَ ادْخُلُوا فِي أُمَم ٍ قَدْ خَلَتْ مِنْ قَبْلِكُمْ مِنَ الْجِنِّ وَالإِنسِ فِي النَّارِ  ۖ  كُلَّمَا دَخَلَتْ أُمَّة ٌ لَعَنَتْ أُخْتَهَا  ۖ  حَتَّى إِذَا ادَّارَكُوا فِيهَا جَمِيعا ً قَالَتْ أُخْرَاهُمْ لِأولاَهُمْ رَبَّنَا هَاؤُلاَء أَضَلُّونَا فَآتِهِمْ عَذَابا ً ضِعْفا ً مِنَ النَّارِ  ۖ  قَالَ لِكُلّ ٍ ضِعْف ٌ وَلَكِنْ لاَ تَعْلَمُونَ
Wa Qālat 'Ūlāhum Li'khrāhum Famā Kāna Lakum `Alaynā Min Fađlin Fadhūqū Al-`Adhāba Bimā Kuntum Taksibūna [7.39] En de eersten hunner zullen tot de laatsten zeggen: "Gij zijt niet boven ons verheven, smaakt daarom de straf voor al hetgeen gij deedt." وَقَالَتْ أُولاَهُمْ لِأخْرَاهُمْ فَمَا كَانَ لَكُمْ عَلَيْنَا مِنْ فَضْل ٍ فَذُوقُوا الْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْسِبُونَ
'Inna Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa Astakbarū `Anhā Lā Tufattaĥu Lahum 'Abwābu As-Samā'i Wa Lā Yadkhulūna Al-Jannata Ĥattá Yalija Al-Jamalu Fī Sammi Al-Khiyāţi  ۚ  Wa Kadhalika Naj Al-Mujrimīna [7.40] Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden geopend, noch zullen zij in het paradijs komen; eer zou een kameel door het oog van een naald gaan. En zo vergelden Wij de daden der schuldigen. إِنَّ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَاسْتَكْبَرُوا عَنْهَا لاَ تُفَتَّحُ لَهُمْ أَبْوَابُ السَّمَاءِ وَلاَ يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ حَتَّى يَلِجَ الْجَمَلُ فِي سَمِّ الْخِيَاطِ  ۚ  وَكَذَلِكَ نَجْزِي الْمُجْرِمِينَ
Lahum Min Jahannama Mihādun Wa Min Fawqihim Ghawāshin  ۚ  Wa Kadhalika Naj Až-Žālimīna [7.41] Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben. En zo vergelden Wij de onrechtvaardigen. لَهُمْ مِنْ جَهَنَّمَ مِهَاد ٌ وَمِنْ فَوْقِهِمْ غَوَاش ٍ  ۚ  وَكَذَلِكَ نَجْزِي الظَّالِمِينَ
Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Lā Nukallifu Nafsāan 'Illā Wus`ahā 'Ūlā'ika 'Aşĥābu  ۖ  Al-Jannati Hum Fīhā Khālidūna [7.42] Maar, die geloven en goede werken verrichten - Wij belasten geen ziel boven haar vermogen - dezen zullen de bewoners van het paradijs zijn, zij zullen daarin vertoeven. وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ لاَ نُكَلِّفُ نَفْسا ً إِلاَّ وُسْعَهَا أُوْلَائِكَ أَصْحَابُ الْجَنَّةِ  ۖ  هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
Wa Naza`nā Mā Fī Şudūrihim Min Ghillin Tajrī Min Taĥtihimu Al-'Anhāru  ۖ  Wa Qālū Al-Ĥamdu Lillahi Al-Ladhī Hadānā Lihadhā Wa Mā Kunnā Linahtadiya Lawlā 'An Hadānā Al-Lahu  ۖ  Laqad Jā'at Rusulu Rabbinā Bil-Ĥaqqi  ۖ  Wa Nūdū 'An Tilkumu Al-Jannatu 'Ūrithtumūhā Bimā Kuntum Ta`malūna [7.43] Welke wrok er ook in hun hart moge zijn, wij zullen deze van hen verwijderen. Er zullen rivieren voor hen vloeien. En zij zullen zeggen: "Alle lof komt Allah toe, Die ons hiertoe heeft geleid. En als Allah ons niet had terechtgewezen, hadden wij geen leiding kunnen vinden. De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid." En er zal hen worden toegeroepen: "Dit is het paradijs, dat u als erfdeel is gegeven, voor hetgeen gij deedt." وَنَزَعْنَا مَا فِي صُدُورِهِمْ مِنْ غِلّ ٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهِمُ الأَنْهَارُ  ۖ  وَقَالُوا الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي هَدَانَا لِهَذَا وَمَا كُنَّا لِنَهْتَدِيَ لَوْلاَ أَنْ هَدَانَا اللَّهُ  ۖ  لَقَدْ جَاءَتْ رُسُلُ رَبِّنَا بِالْحَقِّ  ۖ  وَنُودُوا أَنْ تِلْكُمُ الْجَنَّةُ أُورِثْتُمُوهَا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
Wa Nādá 'Aşĥābu Al-Jannati 'Aşĥāba An-Nāri 'An Qad Wajadnā Mā Wa`adanā Rabbunā Ĥaqqāan Fahal Wajadtum Mā Wa`ada Rabbukum Ĥaqqāan  ۖ  Qālū Na`am  ۚ  Fa'adhdhana Mu'uadhdhinun Baynahum 'An La`natu Al-Lahi `Alá Až-Žālimīna [7.44] De bewoners van het paradijs zullen naar de bewoners van de hel roepen: "Wij hebben bevonden waar te zijn, wat onze Heer ons beloofde. Hebt gij ook bevonden, waar te zijn wat uw Heer u beloofde?" Zij zullen zeggen: "Ja." Dan zal er een woordvoerder onder hen verkondigen: "De vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen, وَنَادَى أَصْحَابُ الْجَنَّةِ أَصْحَابَ النَّارِ أَنْ قَدْ وَجَدْنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقّا ً فَهَلْ وَجَدْتُمْ مَا وَعَدَ رَبُّكُمْ حَقّا ً  ۖ  قَالُوا نَعَمْ  ۚ  فَأَذَّنَ مُؤَذِّن ٌ بَيْنَهُمْ أَنْ لَعْنَةُ اللَّهِ عَلَى الظَّالِمِينَ
Al-Ladhīna Yaşuddūna `An Sabīli Al-Lahi Wa Yabghūnahā `Iwajāan Wa Hum Bil-'Ākhirati Kāfirūna [7.45] Die anderen van het pad van Allah weerhielden, het oneffen wensende, en die het Hiernamaals verwierpen." الَّذِينَ يَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجا ً وَهُمْ بِالآخِرَةِ كَافِرُونَ
Wa Baynahumā Ĥijābun  ۚ  Wa `Alá Al-'A`rāfi Rijālun Ya`rifūna Kullāan Bisīmāhum  ۚ  Wa Nādaw 'Aşĥāba Al-Jannati 'An Salāmun `Alaykum  ۚ  Lam Yadkhulūhā Wa Hum Yaţma`ūna [7.46] En er zal een scheiding tussen beiden zijn; en er zullen op de verheven plaatsen mannen zijn die allen aan hun merktekenen herkennen. En zij zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Vrede zij over u.'' Dezen zullen het paradijs nog niet zijn binnengegaan, maar zij hopen het. وَبَيْنَهُمَا حِجَاب ٌ  ۚ  وَعَلَى الأَعرَافِ رِجَال ٌ يَعْرِفُونَ كُلاّ ً بِسِيمَاهُمْ  ۚ  وَنَادَوْا أَصْحَابَ الْجَنَّةِ أَنْ سَلاَمٌ عَلَيْكُمْ  ۚ  لَمْ يَدْخُلُوهَا وَهُمْ يَطْمَعُونَ
Wa 'Idhā Şurifat 'Abşāruhum Tilqā'a 'Aşĥābi An-Nāri Qālū Rabbanā Lā Taj`alnā Ma`a Al-Qawmi Až-Žālimīna [7.47] En wanneer hun ogen naar de bewoners van het Vuur zijn gericht, zullen zij zeggen: "Onze Heer, plaats ons niet onder het onrechtvaardige volk." وَإِذَا صُرِفَتْ أَبْصَارُهُمْ تِلْقَاءَ أَصْحَابِ النَّارِ قَالُوا رَبَّنَا لاَ تَجْعَلْنَا مَعَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Wa Nādá 'Aşĥābu Al-'A`rāfi Rijālāan Ya`rifūnahum Bisīmāhum Qālū Mā 'Aghná `Ankum Jam`ukum Wa Mā Kuntum Tastakbirūna [7.48] En de bewoners van de verheven plaatsen zullen tot de mensen die zij aan hun merktekenen herkennen roepen: "Uw aantal, noch datgene waarover gij hoogmoedig waart, heeft u kunnen helpen." وَنَادَى أَصْحَابُ الأَعرَافِ رِجَالا ً يَعْرِفُونَهُمْ بِسِيمَاهُمْ قَالُوا مَا أَغْنَى عَنْكُمْ جَمْعُكُمْ وَمَا كُنتُمْ تَسْتَكْبِرُونَ
'Ahā'uulā' Al-Ladhīna 'Aqsamtum Lā Yanāluhumu Al-Lahu Biraĥmatin  ۚ  Adkhulū Al-Jannata Lā Khawfun `Alaykum Wa Lā 'Antum Taĥzanūna [7.49] Zijn dezen het aangaande welke gij hebt gezworen dat Allah hun geen barmhartigheid zou schenken? "Gaat het paradijs binnen, er zal geen vrees over u komen, noch zult gij treuren," أَهَاؤُلاَء الَّذِينَ أَقْسَمْتُمْ لاَ يَنَالُهُمُ اللَّهُ بِرَحْمَة ٍ  ۚ  ادْخُلُوا الْجَنَّةَ لاَ خَوْفٌ عَلَيْكُمْ وَلاَ أَنْتُمْ تَحْزَنُونَ
Wa Nādá 'Aşĥābu An-Nāri 'Aşĥāba Al-Jannati 'An 'Afīđū `Alaynā Mina Al-Mā'i 'Aw Mimmā Razaqakumu Al-Lahu  ۚ  Qālū 'Inna Al-Laha Ĥarramahumā `Alá Al-Kāfirīna [7.50] En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee Allah u heeft voorzien." Zij zullen antwoorden: "Allah heeft voorzeker dit voor de ongelovigen verboden." وَنَادَى أَصْحَابُ النَّارِ أَصْحَابَ الْجَنَّةِ أَنْ أَفِيضُوا عَلَيْنَا مِنَ الْمَاءِ أَوْ مِمَّا رَزَقَكُمُ اللَّهُ  ۚ  قَالُوا إِنَّ اللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى الْكَافِرِينَ
Al-Ladhīna Attakhadhū Dīnahum Lahwan Wa La`ibāan Wa Gharrat/humu Al-Ĥayāatu Ad-Dunyā  ۚ  Fālyawma Nansāhum Kamā Nasū Liqā'a Yawmihimdhā Wa Mā Kānū Bi'āyātinā Yajĥadūna [7.51] Degenen, die hun godsdienst tot tijdverdrijf en tot vermaak namen en wie het leven van de wereld had bedrogen, Wij zullen hen deze Dag vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en zoals zij Onze tekenen verwierpen. الَّذِينَ اتَّخَذُوا دِينَهُمْ لَهْوا ً وَلَعِبا ً وَغَرَّتْهُمُ الْحَيَاةُ الدُّنْيَا  ۚ  فَالْيَوْمَ نَنسَاهُمْ كَمَا نَسُوا لِقَاءَ يَوْمِهِمْ هَذَا وَمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَجْحَدُونَ
Wa Laqad Ji'nāhum Bikitābin Faşşalnāhu `Alá `Ilmin Hudáan Wa Raĥmatan Liqawmin Yu'uminūna [7.52] En Wij hebben hun voorzeker een Boek gebracht, dat Wij met kennis hebben uiteengezet, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft. وَلَقَدْ جِئْنَاهُمْ بِكِتَاب ٍ فَصَّلْنَاه ُُ عَلَى عِلْمٍ هُدى ً وَرَحْمَة ً لِقَوْم ٍ يُؤْمِنُونَ
Hal Yanžurūna 'Illā Ta'wīlahu  ۚ  Yawma Ya'tī Ta'wīluhu Yaqūlu Al-Ladhīna Nasūhu Min Qablu Qad Jā'at Rusulu Rabbinā Bil-Ĥaqqi Fahal Lanā Min Shufa`ā'a Fayashfa`ū Lanā 'Aw Nuraddu Fana`mala Ghayra Al-Ladhī Kunnā Na`malu  ۚ  Qad Khasirū 'Anfusahum Wa Đalla `Anhum Mā Kānū Yaftarūna [7.53] Wachten zij slechts op (een andere) verklaring daarvan? De Dag, waarop deze komen zal, zullen degenen die het voorheen vergaten, zeggen: "De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid, zullen wij dan enige bemiddelaars hebben, die voor ons zullen bemiddelen? Of konden wij worden teruggezonden (naar de aarde), opdat wij anders mochten doen, dan hetgeen wij deden?" Zij deden hun ziel inderdaad tekort en hetgeen zij verzonnen is voor hen verloren gegaan. هَلْ يَنظُرُونَ إِلاَّ تَأْوِيلَه ُُ  ۚ  يَوْمَ يَأْتِي تَأْوِيلُه ُُ يَقُولُ الَّذِينَ نَسُوه ُُ مِنْ قَبْلُ قَدْ جَاءَتْ رُسُلُ رَبِّنَا بِالْحَقِّ فَهَلْ لَنَا مِنْ شُفَعَاءَ فَيَشْفَعُوا لَنَا أَوْ نُرَدُّ فَنَعْمَلَ غَيْرَ الَّذِي كُنَّا نَعْمَلُ  ۚ  قَدْ خَسِرُوا أَنفُسَهُمْ وَضَلَّ عَنْهُمْ مَا كَانُوا يَفْتَرُونَ
'Inna Rabbakumu Al-Lahu Al-Ladhī Khalaqa As-Samāwāti Wa Al-'Arđa Fī Sittati 'Ayyāmin Thumma Astawá `Alá Al-`Arshi Yughshī Al-Layla An-Nahāra Yaţlubuhu Ĥathīthāan Wa Ash-Shamsa Wa Al-Qamara Wa An-Nujūma Musakhkharātin Bi'amrihi  ۗ  'Alā Lahu Al-Khalqu Wa Al-'Amru  ۗ  Tabāraka Al-Lahu Rabbu Al-`Ālamīna [7.54] Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op deTroon neder. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem snel opvolgt. De zon en de maan en de sterren zijn door Zijn gebod in dienst gesteld. Voorwaar, van Hem is de schepping en het gebod. Gezegend is Allah, de Heer der Werelden. إِنَّ رَبَّكُمُ اللَّهُ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضَ فِي سِتَّةِ أَيَّام ٍ ثُمَّ اسْتَوَى عَلَى الْعَرْشِ يُغْشِي اللَّيْلَ النَّهَارَ يَطْلُبُه ُُ حَثِيثا ً وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ وَالنُّجُومَ مُسَخَّرَات ٍ بِأَمْرِهِ~ِ  ۗ  أَلاَ لَهُ الْخَلْقُ وَالأَمْرُ  ۗ  تَبَارَكَ اللَّهُ رَبُّ الْعَالَمِينَ
Ad`ū Rabbakum Tađarru`āan Wa Khufyatan  ۚ  'Innahu Lā Yuĥibbu Al-Mu`tadīna [7.55] Roept uw Heer in nederigheid en in het verborgene aan. Hij heeft de overtreders zeker niet lief. ادْعُوا رَبَّكُمْ تَضَرُّعا ً وَخُفْيَة ً  ۚ  إِنَّهُ لاَ يُحِبُّ الْمُعْتَدِينَ
Wa Lā Tufsidū Fī Al-'Arđi Ba`da 'Işlāĥihā Wa Ad`ūhu Khawfāan Wa Ţama`āan  ۚ  'Inna Raĥmata Al-Lahi Qarībun Mina Al-Muĥsinīna [7.56] En schept geen wanorde op aarde, nadat zij is geordend en roept Hem met vrees en hoop aan. Voorzeker, de Barmhartigheid van Allah is de goeden nabij. وَلاَ تُفْسِدُوا فِي الأَرْضِ بَعْدَ إِصْلاَحِهَا وَادْعُوه ُُ خَوْفا ً وَطَمَعا ً  ۚ  إِنَّ رَحْمَتَ اللَّهِ قَرِيب ٌ مِنَ الْمُحْسِنِينَ
Wa Huwa Al-Ladhī Yursilu Ar-Riyāĥa Bushrāan Bayna Yaday Raĥmatihi  ۖ  Ĥattá 'Idhā 'Aqallat Saĥābāan Thiqālāan Suqnāhu Libaladin Mayyitin Fa'anzalnā Bihi Al-Mā'a Fa'akhrajnā Bihi Min Kulli Ath-Thamarāti  ۚ  Kadhālika Nukhriju Al-Mawtá La`allakum Tadhakkarūna [7.57] En Hij is het, Die de winden als blijde tijdingen voor Zijn barmhartigheid uitzendt; totdat, wanneer zij zware wolken dragen, Wij ze naar een dor land drijven, daarna zenden Wij er water uit neder, dan brengen Wij alle soorten vruchten voort; zo wekken Wij de doden op, opdat gij er lering uit moogt trekken. وَهُوَ الَّذِي يُرْسِلُ الرِّيَاحَ بُشْرا ً بَيْنَ يَدَيْ رَحْمَتِه ِِ  ۖ  حَتَّى إِذَا أَقَلَّتْ سَحَابا ً ثِقَالا ً سُقْنَاه ُُ لِبَلَد ٍ مَيِّت ٍ فَأَنزَلْنَا بِهِ الْمَاءَ فَأَخْرَجْنَا بِه ِِ مِنْ كُلِّ الثَّمَرَاتِ  ۚ  كَذَلِكَ نُخْرِجُ الْمَوْتَى لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ
Wa Al-Baladu Aţ-Ţayyibu Yakhruju Nabātuhu Bi'idhni  ۖ  Rabbihi Wa Al-Ladhī Khabutha Lā Yakhruju 'Illā  ۚ  Nakidāan Kadhālika Nuşarrifu Al-'Āyāti Liqawmin Yashkurūna [7.58] En het goede land - de plantengroei komt er in overvloed van voort door het gebod van zijn Heer - en hetgeen slecht is levert alleen schaarste op. Zo wisselen Wij de tekenen af voor een volk dat dankbaar is. وَالْبَلَدُ الطَّيِّبُ يَخْرُجُ نَبَاتُه ُُ بِإِذْنِ رَبِّه ِِ  ۖ  وَالَّذِي خَبُثَ لاَ يَخْرُجُ إِلاَّ نَكِدا ً  ۚ  كَذَلِكَ نُصَرِّفُ الآيَاتِ لِقَوْم ٍ يَشْكُرُونَ
Laqad 'Arsalnā Nūĥāan 'Ilá Qawmihi Faqāla Yā Qawmi A`budū Al-Laha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu 'Innī 'Akhāfu `Alaykum `Adhāba Yawmin `Ažīmin [7.59] Wij zonden Noach tot zijn volk en hij zeide: "O, mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Ik vrees voor u de straf van de grote Dag." لَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحا ً إِلَى قَوْمِه ِِ فَقَالَ يَاقَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُهُ~ُ إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيم ٍ
Qāla Al-Mala'u Min Qawmihi 'Innā Lanarāka Fī Đalālin Mubīnin [7.60] De leiders van zijn volk antwoordden: "Wij zien dat gij in openlijke dwaling verkeert." قَالَ الْمَلَأُ مِنْ قَوْمِهِ~ِ إِنَّا لَنَرَاكَ فِي ضَلاَل ٍ مُبِين ٍ
Qāla Yā Qawmi Laysa Bī Đalālatun Wa Lakinnī Rasūlun Min Rabbi Al-`Ālamīna [7.61] Hij zeide: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaling, doch ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden." قَالَ يَاقَوْمِ لَيْسَ بِي ضَلاَلَة ٌ وَلَكِنِّي رَسُول ٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمِينَ
'Uballighukum Risālāti Rabbī Wa 'Anşaĥu Lakum Wa 'A`lamu Mina Al-Lahi Mā Lā Ta`lamūna [7.62] "Ik breng u de boodschappen van mijn Heer over en geef u oprechte raad en ik weet van Allah wat gij niet weet." أُبَلِّغُكُمْ رِسَالاَتِ رَبِّي وَأَنصَحُ لَكُمْ وَأَعْلَمُ مِنَ اللَّهِ مَا لاَ تَعْلَمُونَ
'Awa`ajibtum 'An Jā'akum Dhikrun Min Rabbikum `Alá Rajulin Minkum Liyundhirakum Wa Litattaqū Wa La`allakum Turĥamūna [7.63] "Verwondert gij u, dat er een aanmaning van uw Heer tot u is gekomen door een man uit uw midden opdat hij u moge waarschuwen en opdat gij rechtvaardig moogt worden en opdat u barmhartigheid moge worden betoond?" أَوَعَجِبْتُمْ أَنْ جَاءَكُمْ ذِكْر ٌ مِنْ رَبِّكُمْ عَلَى رَجُل ٍ مِنْكُمْ لِيُنذِرَكُمْ وَلِتَتَّقُوا وَلَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ
Fakadhdhabūhu Fa'anjaynāhu Wa Al-Ladhīna Ma`ahu Fī Al-Fulki Wa 'Aghraq Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā  ۚ  'Innahum Kānū Qawmāan `Amīna [7.64] Maar zij verloochenden hem; Wij redden hem en degenen die met hem in de ark waren en Wij verdronken degenen, die Onze tekenen verwierpen. Zij waren inderdaad een verblind volk. فَكَذَّبُوه ُُ فَأَنجَيْنَاه ُُ وَالَّذِينَ مَعَه ُُ فِي الْفُلْكِ وَأَغْرَقْنَا الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا  ۚ  إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْماً عَمِينَ
Wa 'Ilá `Ādin 'Akhāhum Hūdāan  ۗ  Qāla Yā Qawmi A`budū Al-Laha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu  ۚ  'Afalā Tattaqūna [7.65] En tot (het volk van) Aad (zonden Wij) hun broeder Hoed. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen andere god naast Hem. Wilt gij dan niet (God) vrezen?" وَإِلَى عَادٍ أَخَاهُمْ هُودا ً  ۗ  قَالَ يَاقَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُهُ~ُ أَفَلاَ  ۚ  تَتَّقُونَ
Qāla Al-Mala'u Al-Ladhīna Kafarū Min Qawmihi 'Innā Lanarāka Fī Safāhatin Wa 'Innā Lanažunnuka Mina Al-Kādhibīna [7.66] De ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Wij zien u als een dwaze en wij denken, dat gij tot de leugenaars behoort." قَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِهِ~ِ إِنَّا لَنَرَاكَ فِي سَفَاهَة ٍ وَإِنَّا لَنَظُنُّكَ مِنَ الْكَاذِبِينَ
Qāla Yā Qawmi Laysa Bī Safāhatun Wa Lakinnī Rasūlun Min Rabbi Al-`Ālamīna [7.67] Hij antwoordde: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaasheid, maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden." قَالَ يَاقَوْمِ لَيْسَ بِي سَفَاهَة ٌ وَلَكِنِّي رَسُول ٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمِينَ
'Uballighukum Risālāti Rabbī Wa 'Anā Lakum Nāşiĥun 'Amīnun [7.68] "Ik breng u de woorden van mijn Heer en ik ben voor u een eerlijke raadgever." أُبَلِّغُكُمْ رِسَالاَتِ رَبِّي وَأَنَا لَكُمْ نَاصِحٌ أَمِين ٌ
'Awa`ajibtum 'An Jā'akum Dhikrun Min Rabbikum `Alá Rajulin Minkum Liyundhirakum  ۚ  Wa Adhkurū 'Idh Ja`alakum Khulafā'a Min Ba`di Qawmi Nūĥin Wa Zādakum Al-Khalqi Basţatan  ۖ  Fādhkurū 'Ālā'a Al-Lahi La`allakum Tufliĥūna [7.69] "Verwondert gij u, dat er een waarschuwing van uw Heer tot u is gekomen door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen? " Hij maakte u na het volk van Noach tot erfgenamen en deed u overvloedig in kracht toenemen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah, opdat gij moogt slagen." أَوَعَجِبْتُمْ أَنْ جَاءَكُمْ ذِكْر ٌ مِنْ رَبِّكُمْ عَلَى رَجُل ٍ مِنْكُمْ لِيُنذِرَكُمْ  ۚ  وَاذْكُرُوا إِذْ جَعَلَكُمْ خُلَفَاءَ مِنْ بَعْدِ قَوْمِ نُوح ٍ وَزَادَكُمْ فِي الْخَلْقِ بَسْطَة ً  ۖ  فَاذْكُرُوا آلاَءَ اللَّهِ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ
Qālū 'Aji'tanā Lina`buda Al-Laha Waĥdahu Wa Nadhara Mā Kāna Ya`budu 'Ābā'uunā  ۖ  Fa'tinā Bimā Ta`idunā 'In Kunta Mina Aş-Şādiqīna [7.70] Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen opdat wij Allah alleen moeten aanbidden en de goden die onze vaderen aanbaden zullen verlaten? Breng ons dan hetgeen waarmede gii ons bedreigt, als gij oprecht zigt." قَالُوا أَجِئْتَنَا لِنَعْبُدَ اللَّهَ وَحْدَه ُُ وَنَذَرَ مَا كَانَ يَعْبُدُ آبَاؤُنَا  ۖ  فَأْتِنَا بِمَا تَعِدُنَا إِنْ كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ
Qāla Qad Waqa`a `Alaykum Min Rabbikum Rijsun Wa Ghađabun  ۖ  'Atujādilūnanī Fī 'Asmā'in Sammaytumūhā 'Antum Wa 'Ābā'uukum Mā Nazzala Al-Lahu Bihā Min Sulţānin  ۚ  Fāntažirū 'Innī Ma`akum Mina Al-Muntažirīna [7.71] Eij antwoordde: "Straf en toorn van uw Heer hebben u reeds getroffen. Redetwist gij met mij over namen, die gij hebt genoemd - gij en uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden? Wacht dan, ik ben met u onder de wachtenden." قَالَ قَدْ وَقَعَ عَلَيْكُمْ مِنْ رَبِّكُمْ رِجْس ٌ وَغَضَبٌ  ۖ  أَتُجَادِلُونَنِي فِي أَسْمَاء ٍ سَمَّيْتُمُوهَا أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمْ مَا نَزَّلَ اللَّهُ بِهَا مِنْ سُلْطَان ٍ  ۚ  فَانتَظِرُوا إِنِّي مَعَكُمْ مِنَ الْمُنتَظِرِينَ
Fa'anjaynāhu Wa Al-Ladhīna Ma`ahu Biraĥmatin Minnā Wa Qaţa`nā Dābira Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā  ۖ  Wa Mā Kānū Mu'uminīna [7.72] En Wij redden hem en degenen, die met hem waren door Onze barmhartigheid en Wij sneden de levenswortel af van degenen die Onze tekenen verloochenden. En dezen waren geen gelovigen. فَأَنجَيْنَاه ُُ وَالَّذِينَ مَعَه ُُ بِرَحْمَة ٍ مِنَّا وَقَطَعْنَا دَابِرَ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا  ۖ  وَمَا كَانُوا مُؤْمِنِينَ
Wa 'Ilá Thamūda 'Akhāhum Şāliĥāan  ۗ  Qāla Yā Qawmi A`budū Al-Laha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu  ۖ  Qad Jā'atkum Bayyinatun Min Rabbikum  ۖ  Hadhihi Nāqatu Al-Lahi Lakum 'Āyatan  ۖ  Fadharūhā Ta'kul Fī 'Arđi Al-Lahi  ۖ  Wa Lā Tamassūhā Bisū'in Faya'khudhakum `Adhābun 'Alīmun [7.73] Naar de Samoed (kwam) hun broeder Salih. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt Allah; gij hebt geen andere god naast Hem. Voorwaar er is een duidelijk bewijs van uw Heer tot u gekomen; deze kamelin is van Allah, een teken voor u. Laat haar daarom met rust opdat zij zich van Allah's aarde moge voeden en doet haar geen leed, anders zal een pijnlijke straf u bereiken." وَإِلَى ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَالِحا ً  ۗ  قَالَ يَاقَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُه ُُ قَدْ  ۖ  جَاءَتْكُمْ بَيِّنَة ٌ مِنْ رَبِّكُمْ هَذِه ِِ  ۖ  نَاقَةُ اللَّهِ لَكُمْ آيَة ً فَذَرُوهَا  ۖ  تَأْكُلْ فِي أَرْضِ اللَّهِ وَلاَ  ۖ  تَمَسُّوهَا بِسُوء ٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابٌ أَلِيم ٌ
Wa Adhkurū 'Idh Ja`alakum Khulafā'a Min Ba`di `Ādin Wa Bawwa'akum Al-'Arđi Tattakhidhūna Min Suhūlihā Quşūrāan Wa Tanĥitūna Al-Jibāla Buyūtāan  ۖ  Fādhkurū 'Ālā'a Al-Lahi Wa Lā Ta`thaw Fī Al-'Arđi Mufsidīna [7.74] En herinnert u, toen Hij u na (het volk van) Aad tot opvolgers maakte en u vestigde in het land; gij bouwdet paleizen in de vlakten en gij hieuwt huizen uit de bergen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah en wandelt niet op aarde, onheil stichtend. وَاذْكُرُوا إِذْ جَعَلَكُمْ خُلَفَاءَ مِنْ بَعْدِ عَاد ٍ وَبَوَّأَكُمْ فِي الأَرْضِ تَتَّخِذُونَ مِنْ سُهُولِهَا قُصُورا ً وَتَنْحِتُونَ الْجِبَالَ بُيُوتا ً  ۖ  فَاذْكُرُوا آلاَءَ اللَّهِ وَلاَ تَعْثَوْا فِي الأَرْضِ مُفْسِدِينَ
Qāla Al-Mala'u Al-Ladhīna Astakbarū Min Qawmihi Lilladhīna Astuđ`ifū Liman 'Āmana Minhum 'Ata`lamūna 'Anna Şāliĥāan Mursalun Min Rabbihi  ۚ  Qālū 'Innā Bimā 'Ursila Bihi Mu'uminūna [7.75] De leiders van zijn volk, die aanmatigend waren, zeiden tot de gelovigen, die zij zwak achtten: "Weet gij zeker, dat Salih een door zijn Heer gezondene is?" Zij antwoordden: "Wij geloven voorzeker in hetgeen, waarmede hij gezonden is." قَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا مِنْ قَوْمِه ِِ لِلَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا لِمَنْ آمَنَ مِنْهُمْ أَتَعْلَمُونَ أَنَّ صَالِحا ً مُرْسَل ٌ مِنْ رَبِّه ِِ  ۚ  قَالُوا إِنَّا بِمَا أُرْسِلَ بِه ِِ مُؤْمِنُونَ
Qāla Al-Ladhīna Astakbarū 'Innā Bial-Ladhī 'Āmantum Bihi Kāfirūna [7.76] Degenen die aanmatigend waren zeiden: "Voorwaar, wij geloven niet in hetgeen waarin gij gelooft." قَالَ الَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا إِنَّا بِالَّذِي آمَنتُمْ بِه ِِ كَافِرُونَ
Fa`aqarū An-Nāqata Wa `Ataw `An 'Amri Rabbihim Wa Qālū Yā Şāliĥu A'tinā Bimā Ta`idunā 'In Kunta Mina Al-Mursalīna [7.77] Toen verlamden zij de kamelin en overtraden het gebod van hun Heer en zeiden: "O, Salih, breng ons hetgeen, waarmede gij ons hebt bedreigd, als gij tot de boodschappers behoort." فَعَقَرُوا النَّاقَةَ وَعَتَوْا عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ وَقَالُوا يَاصَالِحُ ائْتِنَا بِمَا تَعِدُنَا إِنْ كُنتَ مِنَ الْمُرْسَلِينَ
Fa'akhadhat/humu Ar-Rajfatu Fa'aşbaĥū Fī Dārihimthimīna [7.78] De aardbeving overviel hen en zij lagen uitgestrekt op de grond in hun huizen. فَأَخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا فِي دَارِهِمْ جَاثِمِينَ
Fatawallá `Anhum Wa Qāla Yā Qawmi Laqad 'Ablaghtukum Risālata Rabbī Wa Naşaĥtu Lakum Wa Lakin Lā Tuĥibbūna An-Nāşiĥīna [7.79] Toen wendde Salih zich van hen af en zeide: "O, mijn volk, ik bracht u de boodschap van mijn Heer en bood u oprechte raad aan, maar gij houdt niet van oprechte raadgevers." فَتَوَلَّى عَنْهُمْ وَقَالَ يَاقَوْمِ لَقَدْ أَبْلَغْتُكُمْ رِسَالَةَ رَبِّي وَنَصَحْتُ لَكُمْ وَلَكِنْ لاَ تُحِبُّونَ النَّاصِحِينَ
Wa Lūţāan 'Idh Qāla Liqawmihi 'Ata'tūna Al-Fāĥishata Mā Sabaqakum Bihā Min 'Aĥadin Mina Al-`Ālamīna [7.80] En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: "Pleegt gij een gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vََr u pleegde?" وَلُوطا ً إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ~ِ أَتَأْتُونَ الْفَاحِشَةَ مَا سَبَقَكُمْ بِهَا مِنْ أَحَد ٍ مِنَ الْعَالَمِينَ
'Innakum Lata'tūna Ar-Rijāla Shahwatan Min Dūni An-Nisā'  ۚ  Bal 'Antum Qawmun Musrifūna [7.81] "Gij nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen. Neen, gij zijt een volk dat de perken te buiten gaat." إِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ الرِّجَالَ شَهْوَة ً مِنْ دُونِ النِسَاء  ۚ  بَلْ أَنْتُمْ قَوْم ٌ مُسْرِفُونَ
Wa Mā Kāna Jawāba Qawmihi 'Illā 'An Qālū 'Akhrijūhum Min Qaryatikum  ۖ  'Innahum 'Unāsun Yataţahharūn [7.82] Het antwoord van zijn volk was slechts: "Verdrijft hen uit uw stad, want zij zijn mannen die zich rein willen houden." وَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِ~ِ إِلاَّ أَنْ قَالُوا أَخْرِجُوهُمْ مِنْ قَرْيَتِكُمْ  ۖ  إِنَّهُمْ أُنَاس ٌ يَتَطَهَّرُون
Fa'anjaynāhu Wa 'Ahlahu 'Illā Amra'atahu Kānat Mina Al-Ghābirīna [7.83] Wij redden hem en zijn familie, met uitzondering van zijn vrouw, zij behoorde tot de achterblijvenden. فَأَنجَيْنَاه ُُ وَأَهْلَهُ~ُ إِلاَّ امْرَأَتَه ُُ كَانَتْ مِنَ الْغَابِرِينَ
Wa 'Amţarnā `Alayhim Maţarāan  ۖ  Fānžur Kayfa Kāna `Āqibatu Al-Mujrimīna [7.84] En Wij deden een regen van stenen over hen komen. Ziet nu wat het einde was van de schuldigen. وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ مَطَرا ً  ۖ  فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُجْرِمِينَ
Wa 'Ilá Madyana 'Akhāhum Shu`aybāan  ۗ  Qāla Yā Qawmi A`budū Al-Laha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu  ۖ  Qad Jā'atkum Bayyinatun Min Rabbikum  ۖ  Fa'awfū Al-Kayla Wa Al-Mīzāna Wa Lā Tabkhasū An-Nāsa 'Ashyā 'Ahum Wa Lā Tufsidū Fī Al-'Arđi Ba`da  ۚ  'Işlāĥihā Dhālikum Khayrun Lakum 'In Kuntum Mu'uminīna [7.85] En tot Midian hun broeder Shoaib. Hij zeide: "O, mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Er is inderdaad een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen. Geeft daarom volle maat en ruim gewicht en vermindert het aan de mensen verschuldigde niet en schept geen wanorde op aarde nadat zij geordend is. Dit is beter voor u, als gij gelovigen zijt." وَإِلَى مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبا ً  ۗ  قَالَ يَاقَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُه ُُ قَدْ  ۖ  جَاءَتْكُمْ بَيِّنَة ٌ مِنْ رَبِّكُمْ فَأَوْفُوا  ۖ  الْكَيْلَ وَالْمِيزَانَ وَلاَ تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءَهُمْ وَلاَ تُفْسِدُوا فِي الأَرْضِ بَعْدَ إِصْلاَحِهَا ذَلِكُمْ  ۚ  خَيْر ٌ لَكُمْ إِنْ كُنتُمْ مُؤْمِنِينَ
Wa Lā Taq`udū Bikulli Şirāţin Tū`idūna Wa Taşuddūna `An Sabīli Al-Lahi Man 'Āmana Bihi Wa Tabghūnahā `Iwajāan  ۚ  Wa Adhkurū 'Idh Kuntum Qalīlāan Fakaththarakum  ۖ  Wa Anžurū Kayfa Kāna `Āqibatu Al-Mufsidīna [7.86] "En wacht niet op de wegen om degenen die in Hem geloven te bedreigen en van het pad van Allah af te houden en het oneffen te maken. En gedenkt, hoe gij weinigen waart en Hij u vermenigvuldigde. En ziet wat het einde was van de onruststokers." وَلاَ تَقْعُدُوا بِكُلِّ صِرَاط ٍ تُوعِدُونَ وَتَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ مَنْ آمَنَ بِه ِِ وَتَبْغُونَهَا عِوَجا ً  ۚ  وَاذْكُرُوا إِذْ كُنتُمْ قَلِيلا ً فَكَثَّرَكُمْ  ۖ  وَانظُرُوا كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُفْسِدِينَ
Wa 'In Kāna Ţā'ifatun Minkum 'Āmanū Bial-Ladhī 'Ursiltu Bihi Wa Ţā'ifatun Lam Yu'uminū Fāşbirū Ĥattá Yaĥkuma Al-Lahu Baynanā  ۚ  Wa Huwa Khayru Al-Ĥākimīna [7.87] "En als er een groep onder u is die gelooft in hetgeen waarmede ik ben gezonden en een andere groep die dit niet gelooft, wacht dan geduldig totdat Allah onder ons richt. Want Hij is de beste Rechter." وَإِنْ كَانَ طَائِفَة ٌ مِنْكُمْ آمَنُوا بِالَّذِي أُرْسِلْتُ بِه ِِ وَطَائِفَة ٌ لَمْ يُؤْمِنُوا فَاصْبِرُوا حَتَّى يَحْكُمَ اللَّهُ بَيْنَنَا  ۚ  وَهُوَ خَيْرُ الْحَاكِمِينَ
Qāla Al-Mala'u Al-Ladhīna Astakbarū Min Qawmihi Lanukhrijannaka Yā Shu`aybu Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Ma`aka Min Qaryatinā 'Aw Lata`ūdunna Fī Millatinā  ۚ  Qāla 'Awalaw Kunnā Kārihīna [7.88] De leidende mannen van zijn volk die aanmatigend waren, antwoordden: "Wij zullen u, o Shoaib, en de gelovigen met u zeker uit onze stad verdrijven tenzij gij tot onze godsdienst terugkeert." Hij zeide: "Zelfs al zijn wij er afkerig van?" قَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا مِنْ قَوْمِه ِِ لَنُخْرِجَنَّكَ يَا شُعَيْبُ وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَكَ مِنْ قَرْيَتِنَا أَوْ لَتَعُودُنَّ فِي مِلَّتِنَا  ۚ  قَالَ أَوَلَوْ كُنَّا كَارِهِينَ
Qadi Aftaraynā `Alá Al-Lahi Kadhibāan 'In `Udnā Fī Millatikum Ba`da 'Idh Najjānā Al-Lahu Minhā  ۚ  Wa Mā Yakūnu Lanā 'An Na`ūda Fīhā 'Illā 'An Yashā'a Al-Lahu Rabbunā  ۚ  Wasi`a Rabbunā Kulla Shay'in `Ilmāan  ۚ  `Alá Al-Lahi Tawakkalnā  ۚ  Rabbanā Aftaĥ Baynanā Wa Bayna Qawminā Bil-Ĥaqqi Wa 'Anta Khayru Al-Fātiĥīna [7.89] En indien wij tot uw godsdienst terugvallen, nadat Allah ons er van heeft gered, dan hebben wij voorzeker een leugen aangaande Allah verzonnen. En het past ons niet er naar te willen terugkeren, behalve, wanneer Allah, onze Heer, dit zou willen. Onze Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Wij hebben in Allah ons vertrouwen gelegd. Oordeel daarom, onze Heer, tussen ons en ons volk in waarheid en Gij zijt de beste Rechter. قَدِ افْتَرَيْنَا عَلَى اللَّهِ كَذِبا ً إِنْ عُدْنَا فِي مِلَّتِكُمْ بَعْدَ إِذْ نَجَّانَا اللَّهُ مِنْهَا  ۚ  وَمَا يَكُونُ لَنَا أَنْ نَعُودَ فِيهَا إِلاَّ أَنْ يَشَاءَ اللَّهُ رَبُّنَا  ۚ  وَسِعَ رَبُّنَا كُلَّ شَيْءٍ عِلْماً  ۚ  عَلَى اللَّهِ تَوَكَّلْنَا  ۚ  رَبَّنَا افْتَحْ بَيْنَنَا وَبَيْنَ قَوْمِنَا بِالْحَقِّ وَأَنْتَ خَيْرُ الْفَاتِحِينَ
Wa Qāla Al-Mala'u Al-Ladhīna Kafarū Min Qawmihi La'ini Attaba`tum Shu`aybāan 'Innakum 'Idhāan Lakhāsirūna [7.90] En de leidende mannen van zijn volk die niet geloofden, zeiden: "Als gij Shoaib volgt, zult gij zeker verliezers zijn." وَقَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِه ِِ لَئِنِ اتَّبَعْتُمْ شُعَيْبا ً إِنَّكُمْ إِذا ً لَخَاسِرُونَ
Fa'akhadhat/humu Ar-Rajfatu Fa'aşbaĥū Fī Dārihimthimīna [7.91] Daarom greep de aardbeving hen en zij lagen uitgestrekt op de grond in hun huizen. فَأَخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا فِي دَارِهِمْ جَاثِمِينَ
Al-Ladhīna Kadhdhabū Shu`aybāan Ka'an Lam Yaghnaw Fīhā  ۚ  Al-Ladhīna Kadhdhabū Shu`aybāan Kānū Humu Al-Khāsirīna [7.92] Degenen, die Shoaib verloochenden werden (zo vernietigd) alsof zij er nooit in hadden gewoond. Degenen, die Shoaib van leugen beschuldigden - zij waren de verliezers. الَّذِينَ كَذَّبُوا شُعَيْبا ً كَأَنْ لَمْ يَغْنَوْا فِيهَا  ۚ  الَّذِينَ كَذَّبُوا شُعَيْبا ً كَانُوا هُمُ الْخَاسِرِينَ
Fatawallá `Anhum Wa Qāla Yā Qawmi Laqad 'Ablaghtukum Risālāti Rabbī Wa Naşaĥtu Lakum  ۖ  Fakayfa 'Āsá `Alá Qawmin Kāfirīna [7.93] Daarna wendde hij zich van hen af en zeide: "O mijn volk, ik heb u inderdaad de boodschap van mijn Heer overgebracht en ik gaf u oprechte raad. Hoe moet ik dan om een ongelovig volk treuren?" فَتَوَلَّى عَنْهُمْ وَقَالَ يَا قَوْمِ لَقَدْ أَبْلَغْتُكُمْ رِسَالاَتِ رَبِّي وَنَصَحْتُ لَكُمْ  ۖ  فَكَيْفَ آسَى عَلَى قَوْم ٍ كَافِرِينَ
Wa Mā 'Arsalnā Fī Qaryatin Min Nabīyin 'Illā 'Akhadhnā 'Ahlahā Bil-Ba'sā'i Wa Ađ-Đarrā'i La`allahum Yađđarra`ūna [7.94] En Wij zonden nimmer een profeet naar een stad zonder dat Wij het volk er van met tegenspoed en lijden troffen, opdat zij zouden verootmoedigen. وَمَا أَرْسَلْنَا فِي قَرْيَة ٍ مِنْ نَبِيّ ٍ إِلاَّ أَخَذْنَا أَهْلَهَا بِالْبَأْسَاءِ وَالضَّرَّاءِ لَعَلَّهُمْ يَضَّرَّعُونَ
Thumma Baddalnā Makāna As-Sayyi'ati Al-Ĥasanata Ĥattá `Afaw Wa Qālū Qad Massa 'Ābā'anā Ađ-Đarrā'u Wa As-Sarrā'u Fa'akhadhnāhum Baghtatan Wa Hum Lā Yash`urūna [7.95] Daarna verwisselden Wij het boze met het goede, totdat zij groeiden en zeiden: "Lijden en geluk wedervoeren onze vaderen ook." Dan grepen Wij hen plotseling terwijl zij er niet aan dachten. ثُمَّ بَدَّلْنَا مَكَانَ السَّيِّئَةِ الْحَسَنَةَ حَتَّى عَفَوا وَقَالُوا قَدْ مَسَّ آبَاءَنَا الضَّرَّاءُ وَالسَّرَّاءُ فَأَخَذْنَاهُمْ بَغْتَة ً وَهُمْ لاَ يَشْعُرُونَ
Wa Law 'Anna 'Ahla Al-Qurá 'Āmanū Wa Attaqaw Lafataĥnā `Alayhim Barakātin Mina As-Samā'i Wa Al-'Arđi Wa Lakin Kadhdhabū Fa'akhadhnāhum Bimā Kānū Yaksibūna [7.96] En indien de mensen van die steden hadden geloofd en rechtvaardig waren geweest, zouden Wij zeker zegeningen van de hemel en van de aarde voor hen hebben gezonden, maar zij verloochenden (onze profeet); daarom grepen Wij hen vanwege hun daden. وَلَوْ أَنَّ أَهْلَ الْقُرَى آمَنُوا وَاتَّقَوْا لَفَتَحْنَا عَلَيْهِمْ بَرَكَات ٍ مِنَ السَّمَاءِ وَالأَرْضِ وَلَكِنْ كَذَّبُوا فَأَخَذْنَاهُمْ بِمَا كَانُوا يَكْسِبُونَ
'Afa'amina 'Ahlu Al-Qurá 'An Ya'tiyahum Ba'sunā Bayātāan Wa Hum Nā'imūna [7.97] Zijn de bewoners der steden veilig voor de komst van Onze straf over hen, 's nachts, terwijl zij slapen? أَفَأَمِنَ أَهْلُ الْقُرَى أَنْ يَأْتِيَهُمْ بَأْسُنَا بَيَاتا ً وَهُمْ نَائِمُونَ
'Awa 'Amina 'Ahlu Al-Qurá 'An Ya'tiyahum Ba'sunā Đuĥáan Wa Hum Yal`abūna [7.98] Of zijn de bewoners dezer steden veilig voor Onze straf die over hen zou kunnen komen, des daags terwijl zij zich vermaken? أَوَ أَمِنَ أَهْلُ الْقُرَى أَنْ يَأْتِيَهُمْ بَأْسُنَا ضُحى ً وَهُمْ يَلْعَبُونَ
'Afa'aminū Makra Al-Lahi  ۚ  Falā Ya'manu Makra Al-Lahi 'Illā Al-Qawmu Al-Khāsirūna [7.99] Zijn zij dan veilig voor Allah's voornemen? En niemand waant zich veilig voor Allah's voornemen, dan het volk dat te gronde gaat. أَفَأَمِنُوا مَكْرَ اللَّهِ  ۚ  فَلاَ يَأْمَنُ مَكْرَ اللَّهِ إِلاَّ الْقَوْمُ الْخَاسِرُونَ
'Awalam Yahdi Lilladhīna Yarithūna Al-'Arđa Min Ba`di 'Ahlihā 'An Law Nashā'u 'Aşabnāhum Bidhunūbihim  ۚ  Wa Naţba`u `Alá Qulūbihim Fahum Lā Yasma`ūna [7.100] Doet het degenen, die de aarde beerven na haar (vroegere) bewoners niet inzien, dat, indien Wij het willen, Wij hen om hun zonden treffen en hun hart verzegelen, zodat zij niet meer horen? أَوَلَمْ يَهْدِ لِلَّذِينَ يَرِثُونَ الأَرْضَ مِنْ بَعْدِ أَهْلِهَا أَنْ لَوْ نَشَاءُ أَصَبْنَاهُمْ بِذُنُوبِهِمْ  ۚ  وَنَطْبَعُ عَلَى قُلُوبِهِمْ فَهُمْ لاَ يَسْمَعُونَ
Tilka Al-Qurá Naquşşu `Alayka Min 'Anbā'ihā  ۚ  Wa Laqad Jā'at/hum Rusuluhum Bil-Bayyināti Famā Kānū Liyu'uminū Bimā Kadhdhabū Min Qablu  ۚ  Kadhālika Yaţba`u Al-Lahu `Alá Qulūbi Al-Kāfirīna [7.101] Zo waren de steden wier verhaal Wij u hebben verteld. En voorzeker hun boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen. Doch zij wilden niet geloven omdat zij voorheen reeds loochenden. Zo zegelt Allah het hart der ongelovigen. تِلْكَ الْقُرَى نَقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنْبَائِهَا  ۚ  وَلَقَدْ جَاءَتْهُمْ رُسُلُهُمْ بِالْبَيِّنَاتِ فَمَا كَانُوا لِيُؤْمِنُوا بِمَا كَذَّبُوا مِنْ قَبْلُ  ۚ  كَذَلِكَ يَطْبَعُ اللَّهُ عَلَى قُلُوبِ الْكَافِرِينَ
Wa Mā Wajadnā Li'ktharihim Min `Ahdin  ۖ  Wa 'In Wajadnā 'Aktharahum Lafāsiqīna [7.102] Wij vonden in de meesten hunner geen (trouw aan het) verbond en Wij bevonden dat de meesten hunner overtreders waren. وَمَا وَجَدْنَا لِأكْثَرِهِمْ مِنْ عَهْد ٍ  ۖ  وَإِنْ وَجَدْنَا أَكْثَرَهُمْ لَفَاسِقِينَ
Thumma Ba`athnā Min Ba`dihim Mūsá Bi'āyātinā 'Ilá Fir`awna Wa Mala'ihi Fažalamū Bihā  ۖ  Fānžur Kayfa Kāna `Āqibatu Al-Mufsidīna [7.103] Toen zonden Wij na hen (de vorige boodschappers) Mozes met Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, maar zij geloofden er niet in. Ziet hoe het einde was van de onruststokers. ثُمَّ بَعَثْنَا مِنْ بَعْدِهِمْ مُوسَى بِآيَاتِنَا إِلَى فِرْعَوْنَ وَمَلَئِه ِِ فَظَلَمُوا بِهَا  ۖ  فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُفْسِدِينَ
Wa Qāla Mūsá Yā Fir`awnu 'Innī Rasūlun Min Rabbi Al-`Ālamīna [7.104] En Mozes zeide: "O, Pharao, ik ben waarlijk een boodschapper van de Heer der Werelden." وَقَالَ مُوسَى يَا فِرْعَوْنُ إِنِّي رَسُول ٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمِينَ
Ĥaqīqun `Alá 'An Lā 'Aqūla `Alá Al-Lahi 'Illā Al-Ĥaqqa  ۚ  Qad Ji'tukum Bibayyinatin Min Rabbikum Fa'arsil Ma`ī Banī 'Isrā'īla [7.105] "Ik mag slechts de waarheid over Allah spreken. Ik ben met een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen; zend daarom de kinderen Israëls met mij mee." حَقِيقٌ عَلَى أَنْ لاَ أَقُولَ عَلَى اللَّهِ إِلاَّ الْحَقَّ  ۚ  قَدْ جِئْتُكُمْ بِبَيِّنَة ٍ مِنْ رَبِّكُمْ فَأَرْسِلْ مَعِي بَنِي إِسْرَائِيلَ
Qāla 'In Kunta Ji'ta Bi'āyatin Fa'ti Bihā 'In Kunta Mina Aş-Şādiqīna [7.106] Hij antwoordde: "Als gij inderdaad met een teken zijt gekomen breng het naar voren als gij tot de waarachtigen behoort." قَالَ إِنْ كُنتَ جِئْتَ بِآيَة ٍ فَأْتِ بِهَا إِنْ كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ
Fa'alqá `Aşāhu Fa'idhā Hiya Thu`bānun Mubīnun [7.107] Hij (Mozes) wierp zijn stok neder en ziet, het was duidelijk een slang. فَأَلْقَى عَصَاه ُُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَان ٌ مُبِين ٌ
Wa Naza`a Yadahu Fa'idhā Hiya Bayđā'u Lilnnāžirīna [7.108] En hij haalde zijn hand tevoorschijn en ziet, zij was wit (geworden) voor de toeschouwers. وَنَزَعَ يَدَه ُُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاءُ لِلنَّاظِرِينَ
Qāla Al-Mala'u Min Qawmi Fir`awna 'Inna Hādhā Lasāĥirun `Alīmun [7.109] De leiders van het volk van Pharao zeiden: "Dit is gewis een vaardige tovenaar." قَالَ الْمَلَأُ مِنْ قَوْمِ فِرْعَوْنَ إِنَّ هَذَا لَسَاحِرٌ عَلِيم ٌ
Yurīdu 'An Yukhrijakum Min 'Arđikum  ۖ  Famādhā Ta'murūna [7.110] "Hij wil u uit uw land zetten. Wat raadt gij nu aan?" يُرِيدُ أَنْ يُخْرِجَكُمْ مِنْ أَرْضِكُمْ  ۖ  فَمَاذَا تَأْمُرُونَ
Qālū 'Arjihi Wa 'Akhāhu Wa 'Arsil Fī Al-Madā'ini Ĥāshirīna [7.111] Zij zeiden: "Geef hem en zijn broeder tijd en zend (intussen) omroepers de steden in, قَالُوا أَرْجِه ِِ وَأَخَاه ُُ وَأَرْسِلْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ
Ya'tūka Bikulli Sāĥirin `Alīmin [7.112] Die elke vaardige tovenaar tot u zullen brengen." يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَاحِرٍ عَلِيم ٍ
Wa Jā'a As-Saĥaratu Fir`awna Qālū 'Inna Lanā La'ajrāan 'In Kunnā Naĥnu Al-Ghālibīna [7.113] En de tovenaars kwamen tot Pharao en zeiden: "Wij zullen natuurlijk als wij de overhand krijgen een beloning ontvangen." وَجَاءَ السَّحَرَةُ فِرْعَوْنَ قَالُوا إِنَّ لَنَا لَأَجْرا ً إِنْ كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ
Qāla Na`am Wa 'Innakum Lamina Al-Muqarrabīna [7.114] Hij (Pharao) antwoordde: "Ja en gij zult tot de gunstelingen behoren." قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ لَمِنَ الْمُقَرَّبِينَ
Qālū Yā Mūsá 'Immā 'An Tulqiya Wa 'Immā 'An Nakūna Naĥnu Al-Mulqīna [7.115] Zij zeiden: "O Mozes zult gij of zullen wij het eerst werpen?" قَالُوا يَا مُوسَى إِمَّا أَنْ تُلْقِيَ وَإِمَّا أَنْ نَكُونَ نَحْنُ الْمُلْقِينَ
Qāla 'Alqū  ۖ  Falammā 'Alqaw Saĥarū 'A`yuna An-Nāsi Wa Astarhabūhum Wa Jā'ū Bisiĥrin `Ažīmin [7.116] Hij antwoordde: "Werpt gij." En toen zij wierpen, betoverden zij de ogen der mensen en deden hen vrezen en toonden hun grote toverkunst. قَالَ أَلْقُوا  ۖ  فَلَمَّا أَلْقَوْا سَحَرُوا أَعْيُنَ النَّاسِ وَاسْتَرْهَبُوهُمْ وَجَاءُوا بِسِحْرٍ عَظِيم ٍ
Wa 'Awĥaynā 'Ilá Mūsá 'An 'Alqi `Aşāka  ۖ  Fa'idhā Hiya Talqafu Mā Ya'fikūna [7.117] En Wij bezielden Mozes en zeiden: "Werp uw stok neder" en ziet, deze slokte al hetgeen zij getoverd hadden op. وَأَوْحَيْنَا إِلَى مُوسَى أَنْ أَلْقِ عَصَاكَ  ۖ  فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ
Fawaqa`a Al-Ĥaqqu Wa Baţala Mā Kānū Ya`malūna [7.118] Zo werd de waarheid bevestigd en bleek wat zij deden ijdel te zijn. فَوَقَعَ الْحَقُّ وَبَطَلَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ
Faghulibū Hunālika Wa Anqalabū Şāghirīna [7.119] Zo werden zij verslagen en vernederd. فَغُلِبُوا هُنَالِكَ وَانقَلَبُوا صَاغِرِينَ
Wa 'Ulqiya As-Saĥaratu Sājidīna [7.120] En de tovenaars werden bewogen zich neder te werpen. وَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ
Qālū 'Āmannā Birabbi Al-`Ālamīna [7.121] En zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden." قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ
Rabbi Mūsá Wa Hārūna [7.122] "De Heer van Mozes en Aäron." رَبِّ مُوسَى وَهَارُونَ
Qāla Fir`awnu 'Āmantum Bihi Qabla 'An 'Ādhana Lakum  ۖ  'Inna Hādhā Lamakrun Makartumūhu Fī Al-Madīnati Litukhrijū Minhā 'Ahlahā  ۖ  Fasawfa Ta`lamūna [7.123] Pharao zeide: "Hebt gij vََr ik het u toestond in Hem geloofd? Dit is voorzeker een complot dat gij in de stad hebt gesmeed, opdat gij haar bewoners er uit moogt verdrijven maar gij zult het weldra te weten komen." قَالَ فِرْعَوْنُ آمَنتُمْ بِه ِِ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ  ۖ  إِنَّ هَذَا لَمَكْر ٌ مَكَرْتُمُوه ُُ فِي الْمَدِينَةِ لِتُخْرِجُوا مِنْهَا أَهْلَهَا  ۖ  فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ
La'uqaţţi`anna 'Aydiyakum Wa 'Arjulakum Min Khilāfin Thumma La'uşallibannakum 'Ajma`īna [7.124] "Ik zal gewis uw handen en uw voeten aan tegengestelde zijden (rechts en links) doen afsnijden. Dan zal ik u allen tezamen laten kruisigen." لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُمْ مِنْ خِلاَف ٍ ثُمَّ لَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ
Qālū 'Innā 'Ilá Rabbinā Munqalibūna [7.125] Zij antwoordden: "Wij zullen voorzeker naar onze Heer terugkeren." قَالُوا إِنَّا إِلَى رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ
Wa Mā Tanqimu Minnā 'Illā 'An 'Āmannā Bi'āyāti Rabbinā Lammā Jā'atnā  ۚ  Rabbanā 'Afrigh `Alaynā Şabrāan Wa Tawaffanā Muslimīna [7.126] En gij neemt alleen wraak op ons omdat wij in de tekenen van onze Heer hebben geloofd toen zij ons getoond werden. Onze Heer, stort standvastigheid over ons uit en doe ons sterven terwijl wij Moslims zijn." وَمَا تَنقِمُ مِنَّا إِلاَّ أَنْ آمَنَّا بِآيَاتِ رَبِّنَا لَمَّا جَاءَتْنَا  ۚ  رَبَّنَا أَفْرِغْ عَلَيْنَا صَبْرا ً وَتَوَفَّنَا مُسْلِمِينَ
Wa Qāla Al-Mala'u Min Qawmi Fir`awna 'Atadharu Mūsá Wa Qawmahu Liyufsidū Fī Al-'Arđi Wa Yadharaka Wa 'Ālihataka  ۚ  Qāla Sanuqattilu 'Abnā'ahum Wa Nastaĥyī Nisā'ahum Wa 'Innā Fawqahum Qāhirūna [7.127] En de leiders van het volk van Pharao zeiden: "Wilt gij Mozes en zijn volk in het land wanorde laten scheppen en u en uw goden laten verzaken?" Hij antwoordde: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen sparen. Zeker wij hebben macht over hen." وَقَالَ الْمَلَأُ مِنْ قَوْمِ فِرْعَوْنَ أَتَذَرُ مُوسَى وَقَوْمَه ُُ لِيُفْسِدُوا فِي الأَرْضِ وَيَذَرَكَ وَآلِهَتَكَ  ۚ  قَالَ سَنُقَتِّلُ أَبْنَاءَهُمْ وَنَسْتَحْيِي نِسَاءَهُمْ وَإِنَّا فَوْقَهُمْ قَاهِرُونَ
Qāla Mūsá Liqawmihi Asta`īnū Bil-Lahi Wa Aşbirū  ۖ  'Inna Al-'Arđa Lillahi Yūrithuhā Man Yashā'u Min `Ibādihi Wa  ۖ  Al-`Āqibatu Lilmuttaqīna [7.128] Mozes zeide tot zijn volk: "Zoekt de hulp van Allah en weest geduldig. Voorzeker, de aarde behoort aan Allah. Hij geeft haar als erfdeel aan wie Zijner dienaren Hij wil en de uiteindelijke overwinning is voor de godvrezenden. قَالَ مُوسَى لِقَوْمِهِ اسْتَعِينُوا بِاللَّهِ وَاصْبِرُوا  ۖ  إِنَّ الأَرْضَ لِلَّهِ يُورِثُهَا مَنْ يَشَاءُ مِنْ عِبَادِه ِِ  ۖ  وَالْعَاقِبَةُ لِلْمُتَّقِينَ
Qālū 'Ūdhīnā Min Qabli 'An Ta'tiyanā Wa Min Ba`di Mā Ji'tanā  ۚ  Qāla `Asá Rabbukum 'An Yuhlika `Adūwakum Wa Yastakhlifakum Al-'Arđi Fayanžura Kayfa Ta`malūna [7.129] Zij antwoordden: "Wij werden vervolgd, voordat gij tot ons kwaamt en nadat gij tot ons zijt gekomen." Hij (Mozes) zeide: "Waarschijnlijk gaat uw Heer uw vijand vernietigen en u tot stedehouders in het land maken, dan zal Hij zien hoe gij handelt." قَالُوا أُوذِينَا مِنْ قَبْلِ أَنْ تَأْتِيَنَا وَمِنْ بَعْدِ مَا جِئْتَنَا  ۚ  قَالَ عَسَى رَبُّكُمْ أَنْ يُهْلِكَ عَدُوَّكُمْ وَيَسْتَخْلِفَكُمْ فِي الأَرْضِ فَيَنظُرَ كَيْفَ تَعْمَلُونَ
Wa Laqad 'Akhadhnā 'Āla Fir`awna Bis-Sinīna Wa Naqşin Mina Ath-Thamarāti La`allahum Yadhdhakkarūna [7.130] En Wij straften het volk van Pharao door droogte en met schaarste van vruchten, opdat zij er lering uit mochten trekken. وَلَقَدْ أَخَذْنَا آلَ فِرْعَوْنَ بِالسِّنِينَ وَنَقْص ٍ مِنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ يَذَّكَّرُونَ
Fa'idhā Jā'at/humu Al-Ĥasanatu Qālū Lanā Hadhihi  ۖ  Wa 'In Tuşibhum Sayyi'atun Yaţţayyarū Bimūsá Wa Man Ma`ahu  ۗ  'Alā 'Innamā Ţā'iruhum `Inda Al-Lahi Wa Lakinna 'Aktharahum Lā Ya`lamūna [7.131] Wanneer er goeds tot hen kwam zeiden zij: "Dit komt ons toe." En als hen kwaad overkwam, schreven zij de tegenspoed toe aan Mozes en zijn metgezellen. Let op! Hun tegenspoed was eveneens van Allah. Maar de meesten hunner weten het niet. فَإِذَا جَاءَتْهُمُ الْحَسَنَةُ قَالُوا لَنَا هَذِه ِِ  ۖ  وَإِنْ تُصِبْهُمْ سَيِّئَة ٌ يَطَّيَّرُوا بِمُوسَى وَمَنْ مَعَهُ~ُ  ۗ  أَلاَ إِنَّمَا طَائِرُهُمْ عِنْدَ اللَّهِ وَلَكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لاَ يَعْلَمُونَ
Wa Qālū Mahmā Ta'tinā Bihi Min 'Āyatin Litasĥaranā Bihā Famā Naĥnu Laka Bimu'uminīna [7.132] En zij zeiden (tot Mozes): "Welk teken gij ons ook moogt brengen om er ons mede te betoveren, wij zullen stellig niet in u geloven." وَقَالُوا مَهْمَا تَأْتِنَا بِه ِِ مِنْ آيَة ٍ لِتَسْحَرَنَا بِهَا فَمَا نَحْنُ لَكَ بِمُؤْمِنِينَ
Fa'arsalnā `Alayhimu Aţ-Ţūfāna Wa Al-Jarāda Wa Al-Qummala Wa Ađ-Đafādi`a Wa Ad-Dama 'Āyātin Mufaşşalātin Fāstakbarū Wa Kānū Qawmāan Mujrimīna [7.133] Toen zonden Wij de storm en de sprinkhanen en de luizen en de kikvorsen en bloed over hen - als duidelijke tekenen, doch zij gedroegen zich hoogmoedig en waren een schuldig volk. فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ الطُّوفَانَ وَالْجَرَادَ وَالْقُمَّلَ وَالضَّفَادِعَ وَالدَّمَ آيَات ٍ مُفَصَّلاَت ٍ فَاسْتَكْبَرُوا وَكَانُوا قَوْما ً مُجْرِمِينَ
Wa Lammā Waqa`a `Alayhimu Ar-Rijzu Qālū Yā Mūsá Ad`u Lanā Rabbaka Bimā `Ahida `Indaka  ۖ  La'in Kashafta `Annā Ar-Rijza Lanu'uminanna Laka Wa Lanursilanna Ma`aka Banī 'Isrā'īla [7.134] En toen de straf op hen viel, zeiden zij: "O, Mozes, bid voor ons tot uw Heer, zoals Hij u heeft beloofd. Als gij de plaag van ons verwijdert, zullen wij u zeker geloven en wij zullen de kinderen Israëls voorzeker met u laten gaan. وَلَمَّا وَقَعَ عَلَيْهِمُ الرِّجْزُ قَالُوا يَا مُوسَى ادْعُ لَنَا رَبَّكَ بِمَا عَهِدَ عِنْدَكَ  ۖ  لَئِنْ كَشَفْتَ عَنَّا الرِّجْزَ لَنُؤْمِنَنَّ لَكَ وَلَنُرْسِلَنَّ مَعَكَ بَنِي إِسْرَائِيلَ
Falammā Kashafnā `Anhumu Ar-Rijza 'Ilá 'Ajalin Hum Bālighūhu 'Idhā Hum Yankuthūna [7.135] Maar toen Wij de straf van hen verwijderden voor een bepaalde termijn, die zij moesten voleindigen, ziet, toen braken zij (hun beloften.) فَلَمَّا كَشَفْنَا عَنْهُمُ الرِّجْزَ إِلَى أَجَلٍ هُمْ بَالِغُوهُ~ُ إِذَا هُمْ يَنكُثُونَ
ntaqamnā Minhum Fa'aghraqnāhum Al-Yammi Bi'annahum Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa Kānū `Anhā Ghāfilīna [7.136] Wij straften hen derhalve en verdronken hen in zee, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er geen acht op sloegen. فَانتَقَمْنَا مِنْهُمْ فَأَغْرَقْنَاهُمْ فِي الْيَمِّ بِأَنَّهُمْ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَكَانُوا عَنْهَا غَافِلِينَ
Wa 'Awrath Al-Qawma Al-Ladhīna Kānū Yustađ`afūna Mashāriqa Al-'Arđi Wa Maghāribahā Allatī Bāraknā Fīhā  ۖ  Wa Tammat Kalimatu Rabbika Al-Ĥusná `Alá Banī 'Isrā'īla Bimā Şabarū  ۖ  Wa Dammarnā Mā Kāna Yaşna`u Fir`awnu Wa Qawmuhu Wa Mā Kānū Ya`rishūna [7.137] En Wij deden de mensen die voor zwak werden gehouden de oostelijke en westelijke gedeelten van het land, welke Wij zegenden, erven. En het genadevolle woord van uw Heer werd voor de kinderen Israëls vervuld omdat zij geduldig waren geweest; en Wij vernietigden al hetgeen Pharao en zijn volk hadden gebouwd en al hetgeen zij hadden opgericht. وَأَوْرَثْنَا الْقَوْمَ الَّذِينَ كَانُوا يُسْتَضْعَفُونَ مَشَارِقَ الأَرْضِ وَمَغَارِبَهَا الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا  ۖ  وَتَمَّتْ كَلِمَةُ رَبِّكَ الْحُسْنَى عَلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ بِمَا صَبَرُوا  ۖ  وَدَمَّرْنَا مَا كَانَ يَصْنَعُ فِرْعَوْنُ وَقَوْمُه ُُ وَمَا كَانُوا يَعْرِشُونَ
Wa Jāwaznā Bibanī 'Isrā'īla Al-Baĥra Fa'ataw `Alá Qawmin Ya`kufūna `Alá 'Aşnāmin Lahum  ۚ  Qālū Yā Mūsá Aj`al Lanā 'Ilahāan Kamā Lahum 'Ālihatun  ۚ  Qāla 'Innakum Qawmun Tajhalūna [7.138] En Wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken en zij kwamen tot een volk dat aan zijn afgoden was gehecht. Zij zeiden: "O, Mozes, maak ons een god zoals dit (volk) goden heeft." Hij antwoordde: "Gij zijt zeker een onwetend volk." وَجَاوَزْنَا بِبَنِي إِسْرَائِيلَ الْبَحْرَ فَأَتَوْا عَلَى قَوْم ٍ يَعْكُفُونَ عَلَى أَصْنَام ٍ لَهُمْ  ۚ  قَالُوا يَامُوسَى اجْعَل لَنَا إِلَها ً كَمَا لَهُمْ آلِهَة ٌ قَالَ  ۚ  إِنَّكُمْ قَوْم ٌ تَجْهَلُونَ
'Inna Hā'uulā' Mutabbarun Mā Hum Fīhi Wa Bāţilun Mā Kānū Ya`malūna [7.139] "Wat dezen betreft, al hetgeen waarmede zij zich bezig houden, zal worden vernietigd en al hetgeen zij doen zal vergeefs zijn." إِنَّ هَاؤُلاَء مُتَبَّر ٌ مَا هُمْ فِيه ِِ وَبَاطِل ٌ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ
Qāla 'Aghayra Al-Lahi 'Abghīkum 'Ilahāan Wa Huwa Fađđalakum `Alá Al-`Ālamīna [7.140] Hij zeide (verder): "Zal ik u een andere god dan Allah zoeken, terwijl Hij u boven de volkeren heeft verheven?" قَالَ أَغَيْرَ اللَّهِ أَبْغِيكُمْ إِلَها ً وَهُوَ فَضَّلَكُمْ عَلَى الْعَالَمِينَ
Wa 'Idh 'Anjaynākum Min 'Āli Fir`awna Yasūmūnakum Sū'a Al-`Adhābi  ۖ  Yuqattilūna 'Abnā'akum Wa Yastaĥyūna Nisā'akum  ۚ  Wa Fī Dhālikum Balā'un Min Rabbikum `Ažīmun [7.141] Toen Wij u van Pharao's volk verlosten dat u aan een marteling onderwierp en uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin lag voor u een zware beproeving van uw Heer. وَإِذْ أَنجَيْنَاكُمْ مِنْ آلِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوءَ الْعَذَابِ  ۖ  يُقَتِّلُونَ أَبْنَاءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَاءَكُمْ  ۚ  وَفِي ذَلِكُمْ بَلاَء ٌ مِنْ رَبِّكُمْ عَظِيم ٌ
Wa Wā`adnā Mūsá Thalāthīna Laylatan Wa 'Atmamnāhā Bi`ashrin Fatamma Mīqātu Rabbihi 'Arba`īna Laylatan  ۚ  Wa Qāla Mūsá Li'khīhi Hārūna Akhlufnī Fī Qawmī Wa 'Aşliĥ Wa Lā Tattabi` Sabīla Al-Mufsidīna [7.142] En Wij maakten met Mozes een overeenkomst van dertig nachten en vulden ze met tien nachten aan. Aldus werd de periode, die door zijn Heer was vastgesteld tot veertig nachten aangevuld. En Mozes zeide tot zijn broeder Aäron: "Wees mijn plaatsvervanger onder mijn volk in mijn afwezigheid en beheer wel en volg de weg der onruststokers niet." وَوَاعَدْنَا مُوسَى ثَلاَثِينَ لَيْلَة ً وَأَتْمَمْنَاهَا بِعَشْر ٍ فَتَمَّ مِيقَاتُ رَبِّهِ~ِ أَرْبَعِينَ لَيْلَة ً  ۚ  وَقَالَ مُوسَى لِأخِيه ِِ هَارُونَ اخْلُفْنِي فِي قَوْمِي وَأَصْلِحْ وَلاَ تَتَّبِعْ سَبِيلَ الْمُفْسِدِينَ
Wa Lammā Jā'a Mūsá Limīqātinā Wa Kallamahu Rabbuhu Qāla Rabbi 'Arinī 'Anžur 'Ilayka  ۚ  Qāla Lan Tarānī Wa Lakini Anžur 'Ilá Al-Jabali Fa'ini Astaqarra Makānahu Fasawfa Tarānī  ۚ  Falammā Tajallá Rabbuhu Liljabali Ja`alahu Dakkāan Wa Kharra Mūsá Şa`iqāan  ۚ  Falammā 'Afāqa Qāla Subĥānaka Tubtu 'Ilayka Wa 'Anā 'Awwalu Al-Mu'uminīna [7.143] En toen Mozes op Onze vastgestelde tijd kwam en zijn Heer tot hem sprak, zeide hij: "Mijn Heer, toon U aan mij, opdat ik U moge aanschouwen." Hij (Allah) antwoordde: "Gij zult Mij stellig niet kunnen aanschouwen, maar kijk naar de berg en als deze op zijn plaats blijft, dan zult gij Mij wel kunnen zien." En toen zijn Heer Zich op de berg openbaarde, brak deze in stukken en Mozes viel bewusteloos neder. En toen hij tot zichzelf kwam, zeide hij: "Heilig zijt Gij, ik wend mij tot U en ik ben de eerste der gelovigen." وَلَمَّا جَاءَ مُوسَى لِمِيقَاتِنَا وَكَلَّمَه ُُ رَبُّه ُُ قَالَ رَبِّ أَرِنِي أَنظُرْ إِلَيْكَ  ۚ  قَالَ لَنْ تَرَانِي وَلَكِنِ انظُرْ إِلَى الْجَبَلِ فَإِنِ اسْتَقَرَّ مَكَانَه ُُ فَسَوْفَ تَرَانِي  ۚ  فَلَمَّا تَجَلَّى رَبُّه ُُ لِلْجَبَلِ جَعَلَه ُُ دَكّا ً وَخَرَّ مُوسَى صَعِقا ً  ۚ  فَلَمَّا أَفَاقَ قَالَ سُبْحَانَكَ تُبْتُ إِلَيْكَ وَأَنَا أَوَّلُ الْمُؤْمِنِينَ
Qāla Yā Mūsá 'Innī Aşţafaytuka `Alá An-Nāsi Birisālātī Wa Bikalāmī Fakhudh Mā 'Ātaytuka Wa Kun Mina Ash-Shākirīna [7.144] Allah zeide: "O, Mozes, Ik heb u door Mijn boodschappen en Mijn woord boven de volkeren uitverkoren. Houd u daarom vast aan hetgeen Ik u heb gegeven en behoor tot de dankbaren." قَالَ يَامُوسَى إِنِّي اصْطَفَيْتُكَ عَلَى النَّاسِ بِرِسَالاَتِي وَبِكَلاَمِي فَخُذْ مَا آتَيْتُكَ وَكُنْ مِنَ الشَّاكِرِينَ
Wa Katabnā Lahu Fī Al-'Alwāĥi Min Kulli Shay'in Maw`ižatan Wa Tafşīlāan Likulli Shay'in Fakhudh/hā Biqūwatin Wa 'Mur Qawmaka Ya'khudhū Bi'aĥsanihā  ۚ  Sa'urīkum Dāra Al-Fāsiqīna [7.145] En Wij schreven op de tafelen allerhande raad en uitleg voor alles. Houd u er aan en beveel uw volk, dit alles stipt op te volgen. Ik zal u weldra de verblijfplaats der overtreders tonen. وَكَتَبْنَا لَه ُُ فِي الأَلْوَاحِ مِنْ كُلِّ شَيْء ٍ مَوْعِظَة ً وَتَفْصِيلا ً لِكُلِّ شَيْء ٍ فَخُذْهَا بِقُوَّة ٍ وَأْمُرْ قَوْمَكَ يَأْخُذُوا بِأَحْسَنِهَا  ۚ  سَأُرِيكُمْ دَارَ الْفَاسِقِينَ
Sa'aşrifu `An 'Āyātiya Al-Ladhīna Yatakabbarūna Fī Al-'Arđi Bighayri Al-Ĥaqqi Wa 'In Yaraw Kulla 'Āyatin Lā Yu'uminū Bihā Wa 'In Yaraw Sabīla Ar-Rushdi Lā Yattakhidhūhu Sabīlāan Wa 'In Yaraw Sabīla Al-Ghayyi Yattakhidhūhu Sabīlāan  ۚ  Dhālika Bi'annahum Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa Kānū `Anhā Ghāfilīna [7.146] Ik zal voorzeker degenen, die ten onrechte trots handelen op aarde weldra van Mijn tekenen afkeren; en hoewel zij alle tekenen zien, zullen zij er niet in geloven, en als zij het pad der rechtvaardigheid zien zullen zij dit als weg niet aanvaarden, maar indien zij het pad der dwaling zien, zullen zij deze als weg wel inslaan. Dat komt, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er onachtzaam op waren. سَأَصْرِفُ عَنْ آيَاتِيَ الَّذِينَ يَتَكَبَّرُونَ فِي الأَرْضِ بِغَيْرِ الْحَقِّ وَإِنْ يَرَوْا كُلَّ آيَة ٍ لاَ يُؤْمِنُوا بِهَا وَإِنْ يَرَوْا سَبِيلَ الرُّشْدِ لاَ يَتَّخِذُوه ُُ سَبِيلا ً وَإِنْ يَرَوْا سَبِيلَ الغَيِّ يَتَّخِذُوه ُُ سَبِيلا ً  ۚ  ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَكَانُوا عَنْهَا غَافِلِينَ
Wa Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa Liqā'i Al-'Ākhirati Ĥabiţat  ۚ  'A`māluhum Hal Yujzawna 'Illā Mā Kānū Ya`malūna [7.147] En zij, die Onze tekenen en de laatste Ontmoeting verloochenen - hun werken zullen verloren gaan. Zullen zij worden beloond, anders dan voor hetgeen zij deden? وَالَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَلِقَاءِ الآخِرَةِ حَبِطَتْ أَعْمَالُهُمْ  ۚ  هَلْ يُجْزَوْنَ إِلاَّ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ
Wa Attakhadha Qawmu Mūsá Min Ba`dihi Min Ĥulīyihim `Ijlāan Jasadāan Lahu Khuwārun  ۚ  'Alam Yaraw 'Annahu Lā Yukallimuhum Wa Lā Yahdīhim Sabīlāan  ۘ  Attakhadhūhu Wa Kānū Žālimīna [7.148] En het volk van Mozes maakte van hun sieraden in zijn afwezigheid het lichaam van een kalf - dat een loeiende toon voortbracht. Zagen zij niet, dat het niet tot hen kon spreken, noch hen naar een goede weg leiden? Zij namen het, (als hun god) en zij waren overtreders. وَاتَّخَذَ قَوْمُ مُوسَى مِنْ بَعْدِه ِِ مِنْ حُلِيِّهِمْ عِجْلا ً جَسَدا ً لَه ُُ خُوَارٌ  ۚ  أَلَمْ يَرَوْا أَنَّهُ لاَ يُكَلِّمُهُمْ وَلاَ يَهْدِيهِمْ سَبِيلا ً  ۘ  اتَّخَذُوه ُُ وَكَانُوا ظَالِمِينَ
Wa Lammā Suqiţa Fī 'Aydīhim Wa Ra'aw 'Annahum Qad Đallū Qālū La'in Lam Yarĥamnā Rabbunā Wa Yaghfir Lanā Lanakūnanna Mina Al-Khāsirīna [7.149] Toen zij wroeging gevoelden en zagen, dat zij inderdaad gedwaald hadden, zeiden zij: "Als onze Heer ons geen barmhartigheid betoont en ons vergeeft, zullen wij gewis tot de verliezers behoren.'' وَلَمَّا سُقِطَ فِي أَيْدِيهِمْ وَرَأَوْا أَنَّهُمْ قَدْ ضَلُّوا قَالُوا لَئِنْ لَمْ يَرْحَمْنَا رَبُّنَا وَيَغْفِرْ لَنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ الْخَاسِرِينَ
Wa Lammā Raja`a Mūsá 'Ilá Qawmihi Ghađbāna 'Asifāan Qāla Bi'samā Khalaftumūnī Min Ba`dī  ۖ  'A`ajiltum 'Amra Rabbikum  ۖ  Wa 'Alqá Al-'Alwāĥa Wa 'Akhadha Bira'si 'Akhīhi Yajurruhu 'Ilayhi  ۚ  Qāla Abna 'Umma 'Inna Al-Qawma Astađ`afūnī Wa Kādū Yaqtulūnanī Falā Tushmit Biya Al-'A`dā'a Wa Lā Taj`alnī Ma`a Al-Qawmi Až-Žālimīna [7.150] En toen Mozes verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk terugkeerde, zeide hij: "Hetgeen gij in mijn afwezigheid deedt, was slecht. Hebt gij u gehaast vََr het gebod van uw Heer?" En hij legde de tafelen neder en greep zijn broeders haar en sleepte hem naar zich toe. Hij (Aäron) zeide: "Zoon van mijn moeder, het volk achtte mij inderdaad zwak en wilde mij doden. Laat zich de vijanden daarom niet over mij verblijden en plaats mij niet bij het onrechtvaardige volk." وَلَمَّا رَجَعَ مُوسَى إِلَى قَوْمِه ِِ غَضْبَانَ أَسِفا ً قَالَ بِئْسَمَا خَلَفْتُمُونِي مِنْ بَعْدِي  ۖ  أَعَجِلْتُمْ أَمْرَ رَبِّكُمْ  ۖ  وَأَلْقَى الأَلْوَاحَ وَأَخَذَ بِرَأْسِ أَخِيه ِِ يَجُرُّهُ~ُ إِلَيْهِ  ۚ  قَالَ ابْنَ أُمَّ إِنَّ الْقَوْمَ اسْتَضْعَفُونِي وَكَادُوا يَقْتُلُونَنِي فَلاَ تُشْمِتْ بِيَ الأَعْدَاءَ وَلاَ تَجْعَلْنِي مَعَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Qāla Rabbi Aghfir Lī Wa Li'akhī Wa 'Adkhilnā Fī Raĥmatika  ۖ  Wa 'Anta 'Arĥamu Ar-Rāĥimīna [7.151] Hij (Mozes) zeide: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder en laat ons tot Uw barmhartigheid toe want Gij zijt de Allergenadigste. قَالَ رَبِّ اغْفِرْ لِي وَلِأَخِي وَأَدْخِلْنَا فِي رَحْمَتِكَ  ۖ  وَأَنْتَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ
'Inna Al-Ladhīna Attakhadhū Al-`Ijla Sayanāluhum Ghađabun Min Rabbihim Wa Dhillatun Al-Ĥayāati Ad-Dunyā  ۚ  Wa Kadhalika Naj Al-Muftarīna [7.152] Voorzeker, degenen die het kalf aanbaden zal de toorn van hun Heer en de vernedering in het tegenwoordig leven treffen En zo bejegenen Wij degenen, die een leugen verzinnen. إِنَّ الَّذِينَ اتَّخَذُوا الْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَب ٌ مِنْ رَبِّهِمْ وَذِلَّة ٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا  ۚ  وَكَذَلِكَ نَجْزِي الْمُفْتَرِينَ
Wa Al-Ladhīna `Amilū As-Sayyi'āti Thumma Tābū Min Ba`dihā Wa 'Āmanū 'Inna Rabbaka Min Ba`dihā Laghafūrun Raĥīmun [7.153] Doch diegenen die kwaad doen en daarna berouw tonen en geloven, voorzeker uw Heer is dan Vergevensgezind, Genadevol. وَالَّذِينَ عَمِلُوا السَّيِّئَاتِ ثُمَّ تَابُوا مِنْ بَعْدِهَا وَآمَنُوا إِنَّ رَبَّكَ مِنْ بَعْدِهَا لَغَفُور ٌ رَحِيم ٌ
Wa Lammā Sakata `An Mūsá Al-Ghađabu 'Akhadha Al-'Alwāĥa  ۖ  Wa Fī Nuskhatihā Hudáan Wa Raĥmatun Lilladhīna Hum Lirabbihim Yarhabūna [7.154] Toen Mozes' toorn was gekalmeerd, nam hij de tafelen en er was leiding en barmhartigheid in het geschrift voor degenen, die hun Heer vrezen. وَلَمَّا سَكَتَ عَنْ مُوسَى الْغَضَبُ أَخَذَ الأَلْوَاحَ  ۖ  وَفِي نُسْخَتِهَا هُدى ً وَرَحْمَة ٌ لِلَّذِينَ هُمْ لِرَبِّهِمْ يَرْهَبُونَ
Wa Akhtāra Mūsá Qawmahu Sab`īna Rajulāan Limīqātinā  ۖ  Falammā 'Akhadhat/humu Ar-Rajfatu Qāla Rabbi Law Shi'ta 'Ahlaktahum Min Qablu Wa 'Īyāya  ۖ  'Atuhlikunā Bimā Fa`ala As-Sufahā'u Minnā  ۖ  'In Hiya 'Illā Fitnatuka Tuđillu Bihā Man Tashā'u Wa Tahdī Man Tashā'u  ۖ  'Anta Walīyunā Fāghfir Lanā Wa Arĥamnā  ۖ  Wa 'Anta Khayru Al-Ghāfirīna [7.155] En Mozes koos voor Onze ontmoeting zeventig mannen van zijn volk. Maar toen de aardbeving hen achterhaalde, zeide hj: "Mijn Heer, als het U had behaagd, kondet, Gij hen en mij voordien reeds hebben vernietigd. Wilt Gij ons verdelgen voor hetgeen de dommen onder ons hebben gedaan? Dit is niets dan een beproeving van U. Gij laat daardoor dwalen wie Gij wilt en Gij leidt wie Gij wilt. Gij zijt onze Beschermer , vergeef one daarom en toon ons barmhartigheid en Gij zijt de Beste Vergevensgezinde." وَاخْتَارَ مُوسَى قَوْمَه ُُ سَبْعِينَ رَجُلا ً لِمِيقَاتِنَا  ۖ  فَلَمَّا أَخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ قَالَ رَبِّ لَوْ شِئْتَ أَهْلَكْتَهُمْ مِنْ قَبْلُ وَإِيَّايَ  ۖ  أَتُهْلِكُنَا بِمَا فَعَلَ السُّفَهَاءُ مِنَّا  ۖ  إِنْ هِيَ إِلاَّ فِتْنَتُكَ تُضِلُّ بِهَا مَنْ تَشَاءُ وَتَهْدِي مَنْ تَشَاءُ  ۖ  أَنْتَ وَلِيُّنَا فَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَا  ۖ  وَأَنْتَ خَيْرُ الْغَافِرِينَ
Wa Aktub Lanā Fī Hadhihi Ad-Dunyā Ĥasanatan Wa Fī Al-'Ākhirati 'Innā Hudnā 'Ilayka  ۚ  Qāla `Adhābī 'Uşību Bihi Man 'Ashā'u  ۖ  Wa Raĥmatī Wasi`at Kulla Shay'in  ۚ  Fasa'aktubuhā Lilladhīna Yattaqūna Wa Yu'utūna Az-Zakāata Wa Al-Ladhīna Hum Bi'āyātinā Yu'uminūna [7.156] "En verorden het goede voor ons in deze wereld en in het Hiernamaals; wij zijn tot U gekomen." Allah antwoordde: "Ik zal Mijn straf opleggen aan wie Ik wil, maar Mijn barmhartigheid omvat alle dingen. Zo zal Ik het verordenen voor degenen die Mij vrezen en de Zakaat betalen en voor hen die in Onze tekenen geloven." وَاكْتُبْ لَنَا فِي هَذِهِ الدُّنْيَا حَسَنَة ً وَفِي الآخِرَةِ إِنَّا هُدْنَا إِلَيْكَ  ۚ  قَالَ عَذَابِي أُصِيبُ بِه ِِ مَنْ أَشَاءُ  ۖ  وَرَحْمَتِي وَسِعَتْ كُلَّ شَيْء ٍ  ۚ  فَسَأَكْتُبُهَا لِلَّذِينَ يَتَّقُونَ وَيُؤْتُونَ الزَّكَاةَ وَالَّذِينَ هُمْ بِآيَاتِنَا يُؤْمِنُونَ
Al-Ladhīna Yattabi`ūna Ar-Rasūla An-Nabīya Al-'Ummīya Al-Ladhī Yajidūnahu Maktūbāan `Indahum At-Tawrāati Wa Al-'Injīli Ya'muruhum Bil-Ma`rūfi Wa Yanhāhum `Ani Al-Munkari Wa Yuĥillu Lahumu Aţ-Ţayyibāti Wa Yuĥarrimu `Alayhimu Al-Khabā'itha Wa Yađa`u `Anhum 'Işrahum Wa Al-'Aghlāla Allatī Kānat `Alayhim  ۚ  Fa-Al-Ladhīna 'Āmanū Bihi Wa `Azzarūhu Wa Naşarūhu Wa Attaba`ū An-Nūra Al-Ladhī 'Unzila Ma`ahu  ۙ  'Ūlā'ika Humu Al-Mufliĥūna [7.157] "Hun, die de boodschapper, de reine profeet volgen, die zij in de Torah en het Evangelie beschreven vinden, legt hij het goede op en verbiedt het kwade, veroortooft hun de goede dingen en verbiedt de slechte en ontheft hen van de last en de kluisters die hen bonden. Zij, die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen gewis slagen. الَّذِينَ يَتَّبِعُونَ الرَّسُولَ النَّبِيَّ الأُمِّيَّ الَّذِي يَجِدُونَه ُُ مَكْتُوباً عِنْدَهُمْ فِي التَّوْرَاةِ وَالإِنجِيلِ يَأْمُرُهُمْ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَاهُمْ عَنِ الْمُنكَرِ وَيُحِلُّ لَهُمُ الطَّيِّبَاتِ وَيُحَرِّمُ عَلَيْهِمُ الْخَبَائِثَ وَيَضَعُ عَنْهُمْ إِصْرَهُمْ وَالأَغْلاَلَ الَّتِي كَانَتْ عَلَيْهِمْ  ۚ  فَالَّذِينَ آمَنُوا بِه ِِ وَعَزَّرُوه ُُ وَنَصَرُوه ُُ وَاتَّبَعُوا النُّورَ الَّذِي أُنزِلَ مَعَهُ~ُ  ۙ  أُوْلَائِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ
Qul Yā 'Ayyuhā An-Nāsu 'Innī Rasūlu Al-Lahi 'Ilaykum Jamī`āan Al-Ladhī Lahu Mulku As-Samāwāti Wa Al-'Arđi  ۖ  Lā 'Ilāha 'Illā Huwa Yuĥyī Wa Yumītu  ۖ  Fa'āminū Bil-Lahi Wa Rasūlihi An-Nabīyi Al-'Ummīyi Al-Ladhī Yu'uminu Bil-Lahi Wa Kalimātihi Wa Attabi`ūhu La`allakum Tahtadūna [7.158] Zeg: "O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van Allah, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort. Er is geen God naast Hem. Hij geeft het leven en doet sterven. Gelooft daarom in Allah en Zijn boodschapper, de reine Profeet, die in Allah en Zijn woorden gelooft en volgt hem opdat gij recht geleid moogt worden." قُلْ يَاأَيُّهَا النَّاسُ إِنِّي رَسُولُ اللَّهِ إِلَيْكُمْ جَمِيعا ً الَّذِي لَه ُُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ لاَ  ۖ  إِلَهَ~َ إِلاَّ هُوَ يُحْيِي وَيُمِيتُ فَآمِنُوا  ۖ  بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ النَّبِيِّ الأُمِّيِّ الَّذِي يُؤْمِنُ بِاللَّهِ وَكَلِمَاتِه ِِ وَاتَّبِعُوه ُُ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ
Wa Min Qawmi Mūsá 'Ummatun Yahdūna Bil-Ĥaqqi Wa Bihi Ya`dilūna [7.159] Er is een deel van het volk van Mozes dat tot waarheid aanspoort en daarmede rechtvaardig handelt. وَمِنْ قَوْمِ مُوسَى أُمَّة ٌ يَهْدُونَ بِالْحَقِّ وَبِه ِِ يَعْدِلُونَ
Wa Qaţţa`nāhumu Athnatay `Ashrata 'Asbāţāan 'Umamāan  ۚ  Wa 'Awĥaynā 'Ilá Mūsá 'Idh Astasqāhu Qawmuhu 'Ani Ađrib Bi`aşāka Al-Ĥajara  ۖ  Fānbajasat Minhu Athnatā `Ashrata `Aynāan  ۖ  Qad `Alima Kullu 'Unāsin Mashrabahum  ۚ  Wa Žallalnā `Alayhimu Al-Ghamāma Wa 'Anzalnā `Alayhimu Al-Manna Wa As-Salwá  ۖ  Kulū Min Ţayyibāti Mā Razaqnākum  ۚ  Wa Mā Žalamūnā Wa Lakin Kānū 'Anfusahum Yažlimūna [7.160] En Wij verdeelden hen in twaalf stammen, als afzonderlijke volkeren. En Wij openbaarden aan Mozes, toen zijn volk om drinken vroeg: "Sla de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen aan: elke stam kende zijn drinkplaats. En Wij deden wolken hen overschaduwen en Wij zonden Manna en kwartels voor hen neder. "Eet van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien." En zij deden Ons geen onrecht aan, maar zij schaadden zichzelf. وَقَطَّعْنَاهُمُ اثْنَتَيْ عَشْرَةَ أَسْبَاطاً أُمَما ً  ۚ  وَأَوْحَيْنَا إِلَى مُوسَى إِذْ اسْتَسْقَاه ُُ قَوْمُهُ~ُ أَنِ اضْرِب بِعَصَاكَ الْحَجَرَ  ۖ  فَانْبَجَسَتْ مِنْهُ اثْنَتَا عَشْرَةَ عَيْنا ً  ۖ  قَدْ عَلِمَ كُلُّ أُنَاس ٍ مَشْرَبَهُمْ  ۚ  وَظَلَّلْنَا عَلَيْهِمُ الْغَمَامَ وَأَنزَلْنَا عَلَيْهِمُ الْمَنَّ وَالسَّلْوَى  ۖ  كُلُوا مِنْ طَيِّبَاتِ مَا رَزَقْنَاكُمْ  ۚ  وَمَا ظَلَمُونَا وَلَكِنْ كَانُوا أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ
Wa 'Idh Qīla Lahumu Askunū Hadhihi Al-Qaryata Wa Kulū Minhā Ĥaythu Shi'tum Wa Qūlū Ĥiţţatun Wa Adkhulū Al-Bāba Sujjadāan Naghfir Lakum Khī'ātikum  ۚ  Sanazīdu Al-Muĥsinīna [7.161] En toen er tot hen werd gezegd: "Woont in deze stad en eet ervan waar gij ook wilt en zegt: 'God, verlicht onze last', en gaat de poort in nederigheid binnen, Wij zullen u uw tekortkomingen vergeven. Wij zullen meer geven aan hen die goed doen." وَإِذْ قِيلَ لَهُمُ اسْكُنُوا هَذِهِ الْقَرْيَةَ وَكُلُوا مِنْهَا حَيْثُ شِئْتُمْ وَقُولُوا حِطَّة ٌ وَادْخُلُوا الْبَابَ سُجَّدا ً نَغْفِرْ لَكُمْ خَطِيئَاتِكُمْ  ۚ  سَنَزِيدُ الْمُحْسِنِينَ
Fabaddala Al-Ladhīna Žalamū Minhum Qawlāan Ghayra Al-Ladhī Qīla Lahum Fa'arsalnā `Alayhim Rijzāan Mina As-Samā'i Bimā Kānū Yažlimūna [7.162] Maar de onrechtvaardigen onder hen vervingen het woord door een ander dat niet tot hen was gesproken. Daarom zonden Wij een kastijding van de hemel over hen neder omdat zij onrechtvaardig waren. فَبَدَّلَ الَّذِينَ ظَلَمُوا مِنْهُمْ قَوْلاً غَيْرَ الَّذِي قِيلَ لَهُمْ فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِجْزا ً مِنَ السَّمَاءِ بِمَا كَانُوا يَظْلِمُونَ
Wa As'alhum `Ani Al-Qaryati Allatī Kānat Ĥāđirata Al-Baĥri 'Idh Ya`dūna Fī As-Sabti 'Idh Ta'tīhim Ĥītānuhum Yawma Sabtihim Shurra`āan Wa Yawma Lā Yasbitūna  ۙ  Lā Ta'tīhim  ۚ  Kadhālika Nablūhum Bimā Kānū Yafsuqūna [7.163] En vraag hun omtrent de stad, die aan de zee lag. Toen zij de Sabbath ontheiligden verscheen vis op hun Sabbath aan de oppervlakte van het water, maar de dag waarop zij geen Sabbath hielden kwam zij niet tot hen. Zo beproefden Wij hen omdat zij overtreders waren. وَاسْأَلْهُمْ عَنِ الْقَرْيَةِ الَّتِي كَانَتْ حَاضِرَةَ الْبَحْرِ إِذْ يَعْدُونَ فِي السَّبْتِ إِذْ تَأْتِيهِمْ حِيتَانُهُمْ يَوْمَ سَبْتِهِمْ شُرَّعا ً وَيَوْمَ لاَ يَسْبِتُونَ  ۙ  لاَ تَأْتِيهِمْ  ۚ  كَذَلِكَ نَبْلُوهُمْ بِمَا كَانُوا يَفْسُقُونَ
Wa 'Idh Qālat 'Ummatun Minhum Lima Ta`ižūna Qawmāan  ۙ  Al-Lahu Muhlikuhum 'Aw Mu`adhdhibuhum `Adhābāan Shadīdāan  ۖ  Qālū Ma`dhiratan 'Ilá Rabbikum Wa La`allahum Yattaqūna [7.164] Toen een gedeelte hunner zeide: "Waarom predikt gij tot een volk dat Allah wil vernietigen of met een strenge kastijding gaat straffen?" Het andere deel antwoordde: "Als een verontschuldiging tegenover uw Heer en opdat zij rechtvaardig mogen worden." وَإِذْ قَالَتْ أُمَّة ٌ مِنْهُمْ لِمَ تَعِظُونَ قَوْما ً  ۙ  اللَّهُ مُهْلِكُهُمْ أَوْ مُعَذِّبُهُمْ عَذَابا ً شَدِيدا ً  ۖ  قَالُوا مَعْذِرَة ً إِلَى رَبِّكُمْ وَلَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ
Falammā Nasū Mā Dhukkirū Bihi 'Anjaynā Al-Ladhīna Yanhawna `Ani As-Sū'i Wa 'Akhadh Al-Ladhīna Žalamū Bi`adhābin Ba'īsin Bimā Kānū Yafsuqūna [7.165] En toen zij de vermaning vergaten redden Wij degenen die het kwade verboden en grepen de onrechtvaardigen met een strenge straf aan, omdat zij verkeerd handelden. فَلَمَّا نَسُوا مَا ذُكِّرُوا بِهِ~ِ أَنْجَيْنَا الَّذِينَ يَنْهَوْنَ عَنِ السُّوءِ وَأَخَذْنَا الَّذِينَ ظَلَمُوا بِعَذَاب ٍ بَئِيس ٍ بِمَا كَانُوا يَفْسُقُونَ
Falammā `Ataw `An Mā Nuhū `Anhu Qulnā Lahum Kūnū Qiradatan Khāsi'īna [7.166] En toen zij overtraden, hetgeen hun was verboden, zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen." فَلَمَّا عَتَوْا عَنْ مَا نُهُوا عَنْهُ قُلْنَا لَهُمْ كُونُوا قِرَدَةً خَاسِئِينَ
Wa 'Idh Ta'adhdhana Rabbuka Layab`athanna `Alayhim 'Ilá Yawmi Al-Qiyāmati Man Yasūmuhum Sū'a Al-`Adhābi  ۗ  'Inna Rabbaka Lasarī`u Al-`Iqābi  ۖ  Wa 'Innahu Laghafūrun Raĥīmun [7.167] En toen verkondigde uw Heer dat Hij dezulken zou zenden, die hen (de Joden) met een marteling zouden kwellen tot de dag der Opstanding. Voorzeker, uw Heer is vlug in vergelding en Hij is Vergevensgezind, Genadevol. وَإِذْ تَأَذَّنَ رَبُّكَ لَيَبْعَثَنَّ عَلَيْهِمْ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ مَنْ يَسُومُهُمْ سُوءَ الْعَذَابِ  ۗ  إِنَّ رَبَّكَ لَسَرِيعُ الْعِقَابِ  ۖ  وَإِنَّه ُُ لَغَفُور ٌ رَحِيم ٌ
Wa Qaţţa`nāhum Al-'Arđi 'Umamāan  ۖ  Minhumu Aş-Şāliĥūna Wa Minhum Dūna Dhālika  ۖ  Wa Balawnāhum Bil-Ĥasanāti Wa As-Sayyi'āti La`allahum Yarji`ūna [7.168] En Wij verdeelden hen in groepen over de aarde. Er zijn onder hen rechtvaardigen en er zijn onrechtvaardigen. Wij beproefden hen door voor- en tegenspoed, opdat zij zich mochten bekeren. وَقَطَّعْنَاهُمْ فِي الأَرْضِ أُمَما ً  ۖ  مِنْهُمُ الصَّالِحُونَ وَمِنْهُمْ دُونَ ذَلِكَ  ۖ  وَبَلَوْنَاهُمْ بِالْحَسَنَاتِ وَالسَّيِّئَاتِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ
Fakhalafa Min Ba`dihim Khalfun Warithū Al-Kitāba Ya'khudhūna `Arađa Hādhā Al-'Adná Wa Yaqūlūna Sayughfaru Lanā Wa 'In Ya'tihim `Arađun Mithluhu Ya'khudhūhu 'Alam  ۚ  Yu'ukhadh `Alayhimthāqu Al-Kitābi 'An Lā Yaqūlū `Alá Al-Lahi 'Illā Al-Ĥaqqa Wa Darasū Mā Fīhi Wa Ad-Dāru  ۗ  Al-'Ākhiratu Khayrun Lilladhīna Yattaqūna 'Afalā  ۗ  Ta`qilūna [7.169] Na hen kwam er een boos geslacht dat het Boek erfde. Zij namen de goederen van deze wereld en zeiden: "Het zal ons worden vergeven." Maar als meer dergelijke goederen tot hen kwamen zouden zij deze ook hebben genomen. Werd de belofte in het Boek, dat zij van Allah slechts de waarheid zouden spreken, niet van hen afgenomen? En hebben zij hetgeen er in staat, niet gelezen? En het tehuis van het Hiernamaals is beter voor degenen, die (God) vrezen. Begrijpt gij dat niet? فَخَلَفَ مِنْ بَعْدِهِمْ خَلْف ٌ وَرِثُوا الْكِتَابَ يَأْخُذُونَ عَرَضَ هَذَا الأَدْنَى وَيَقُولُونَ سَيُغْفَرُ لَنَا وَإِنْ يَأْتِهِمْ عَرَض ٌ مِثْلُه ُُ يَأْخُذُوهُ~ُ  ۚ  أَلَمْ يُؤْخَذْ عَلَيْهِمْ مِيثَاقُ الْكِتَابِ أَنْ لاَ يَقُولُوا عَلَى اللَّهِ إِلاَّ الْحَقَّ وَدَرَسُوا مَا فِيه ِِ  ۗ  وَالدَّارُ الآخِرَةُ خَيْر ٌ لِلَّذِينَ يَتَّقُونَ  ۗ  أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
Wa Al-Ladhīna Yumassikūna Bil-Kitābi Wa 'Aqāmū Aş-Şalāata 'Innā Lā Nuđī`u 'Ajra Al-Muşliĥīna [7.170] En die zich aan het Boek vasthouden en in het gebed volhardend zijn - voorzeker Wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan. وَالَّذِينَ يُمَسِّكُونَ بِالْكِتَابِ وَأَقَامُوا الصَّلاَةَ إِنَّا لاَ نُضِيعُ أَجْرَ الْمُصْلِحِينَ
Wa 'Idh Nataq Al-Jabala Fawqahum Ka'annahu Žullatun Wa Žannū 'Annahu Wāqi`un Bihim Khudhū Mā 'Ātaynākum Biqūwatin Wa Adhkurū Mā Fīhi La`allakum Tattaqūna [7.171] Toen Wij de berg (Sinaï) boven hen deden schudden alsof hij een losse bedekking was, dachten zij, dat deze op hen zou vallen; Wij zeiden: "Houdt u aan hetgeen Wij u hebben gegeven vast en gedenkt wat er in staat, opdat gij moogt worden behouden." وَإِذْ نَتَقْنَا الْجَبَلَ فَوْقَهُمْ كَأَنَّه ُُ ظُلَّة ٌ وَظَنُّوا أَنَّه ُُ وَاقِع ٌ بِهِمْ خُذُوا مَا آتَيْنَاكُمْ بِقُوَّة ٍ وَاذْكُرُوا مَا فِيه ِِ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ
Wa 'Idh 'Akhadha Rabbuka Min Banī 'Ādama Min Žuhūrihim Dhurrīyatahum Wa 'Ash/hadahum `Alá 'Anfusihim 'Alastu Birabbikum  ۖ  Qālū Balá  ۛ  Shahidnā  ۛ  'An Taqūlū Yawma Al-Qiyāmati 'Innā Kunnā `An Hādhā Ghāfilīna [7.172] En toen uw Heer van Adams kinderen een nageslacht uit hun lendenen voortbracht, en hen deed getuigen over henzelf: "Ben ik uw Heer niet?" antwoordden zij: "Ja, wij getuigen" zodat gij op de Dag der Opstanding niet zoudt zeggen: "Wij waren ons hiervan zeker niet bewust." وَإِذْ أَخَذَ رَبُّكَ مِنْ بَنِي آدَمَ مِنْ ظُهُورِهِمْ ذُرِّيَّتَهُمْ وَأَشْهَدَهُمْ عَلَى أَنفُسِهِمْ أَلَسْتُ بِرَبِّكُمْ  ۖ  قَالُوا بَلَى  ۛ  شَهِدْنَا  ۛ  أَنْ تَقُولُوا يَوْمَ الْقِيَامَةِ إِنَّا كُنَّا عَنْ هَذَا غَافِلِينَ
'Aw Taqūlū 'Innamā 'Ashraka 'Ābā'uunā Min Qablu Wa Kunnā Dhurrīyatan Min Ba`dihim  ۖ  'Afatuhlikunā Bimā Fa`ala Al-Mubţilūna [7.173] Of gij zolldt zeggen: "Het waren alleen onze vaderen die afgoderij bedreven en wij waren een geslacht na hen. Wilt Gij ons dan vernietigen om hetgeen de leugenaars deden?" أَوْ تَقُولُوا إِنَّمَا أَشْرَكَ آبَاؤُنَا مِنْ قَبْلُ وَكُنَّا ذُرِّيَّة ً مِنْ بَعْدِهِمْ  ۖ  أَفَتُهْلِكُنَا بِمَا فَعَلَ الْمُبْطِلُونَ
Wa Kadhalika Nufaşşilu Al-'Āyāti Wa La`allahum Yarji`ūna [7.174] En zo verklaren Wij de tekenen opdat zij zich mogen bekeren. وَكَذَلِكَ نُفَصِّلُ الآيَاتِ وَلَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ
Wa Atlu `Alayhim Naba'a Al-Ladhī 'Ātaynāhu 'Āyātinā Fānsalakha Minhā Fa'atba`ahu Ash-Shayţānu Fakāna Mina Al-Ghāwīna [7.175] En vertel hun het verhaal van de man die Wij Onze tekenen gaven, maar hij wendde zich af, daarom volgde Satan hem en hij werd verleid. وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ الَّذِي آتَيْنَاهُ آيَاتِنَا فَانسَلَخَ مِنْهَا فَأَتْبَعَهُ الشَّيْطَانُ فَكَانَ مِنَ الْغَاوِينَ
Wa Law Shi'nā Larafa`nāhu Bihā Wa Lakinnahu 'Akhlada 'Ilá Al-'Arđi Wa Attaba`a Hawāhu  ۚ  Famathaluhu Kamathali Al-Kalbi 'In Taĥmil `Alayhi Yalhath 'Aw Tatruk/hu Yalhath  ۚ  Dhālika Mathalu Al-Qawmi Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā  ۚ  Fāqşuşi Al-Qaşaşa La`allahum Yatafakkarūna [7.176] En indien Wij wilden, konden Wij hem er door verheffen doch hij verkoos de aarde en volgde zijn begeerten, hij is als een hond: als gij hem achtervolgt laat deze zijn tong (uit de bek) hangen en indien gij hem met rust laat steekt hij ook zijn tong uit. Dit is het geval van de mensen, die Onze tekenen verloochenen. Vertel daarom deze gelijkenis opdat zij mogen nadenken. وَلَوْ شِئْنَا لَرَفَعْنَاه ُُ بِهَا وَلَكِنَّهُ~ُ أَخْلَدَ إِلَى الأَرْضِ وَاتَّبَعَ هَوَاه ُُ  ۚ  فَمَثَلُه ُُ كَمَثَلِ الْكَلْبِ إِنْ تَحْمِلْ عَلَيْهِ يَلْهَثْ أَوْ تَتْرُكْهُ يَلْهَثْ  ۚ  ذَلِكَ مَثَلُ الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا  ۚ  فَاقْصُصِ الْقَصَصَ لَعَلَّهُمْ يَتَفَكَّرُونَ
Sā'a Mathalāan Al-Qawmu Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Wa 'Anfusahum Kānū Yažlimūna [7.177] Slecht is de toestand van een volk dat Onze tekenen verloochent, het handelt onjuist tegen zichzelf. سَاءَ مَثَلا ً الْقَوْمُ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا وَأَنفُسَهُمْ كَانُوا يَظْلِمُونَ
Man Yahdi Al-Lahu Fahuwa Al-Muhtadī  ۖ  Wa Man Yuđlil Fa'ūlā'ika Humu Al-Khāsirūna [7.178] Wie Allah leidt is op het rechte pad. En wie Hij laat dwalen, zal tot de verliezers behoren. مَنْ يَهْدِ اللَّهُ فَهُوَ الْمُهْتَدِي  ۖ  وَمَنْ يُضْلِلْ فَأُوْلَائِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ
Wa Laqad Dhara'nā Lijahannama Kathīrāan Mina Al-Jinni Wa Al-'Insi  ۖ  Lahum Qulūbun Lā Yafqahūna Bihā Wa Lahum 'A`yunun Lā Yubşirūna Bihā Wa Lahum 'Ādhānun Lā Yasma`ūna Bihā  ۚ  'Ūlā'ika Kāl'an`āmi Bal Hum 'Ađallu  ۚ  'Ūlā'ika Humu Al-Ghāfilūna [7.179] Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen wier einde de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede en zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer (dan dit), zij zijn de achtelozen. وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرا ً مِنَ الْجِنِّ وَالإِنسِ  ۖ  لَهُمْ قُلُوب ٌ لاَ يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُن ٌ لاَ يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ آذَان ٌ لاَ يَسْمَعُونَ بِهَا  ۚ  أُوْلَائِكَ كَالأَنعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ  ۚ  أُوْلَائِكَ هُمُ الْغَافِلُونَ
Wa Lillahi Al-'Asmā'u Al-Ĥusná Fād`ūhu Bihā  ۖ  Wa Dharū Al-Ladhīna Yulĥidūna Fī 'Asmā'ihi  ۚ  Sayujzawna Mā Kānū Ya`malūna [7.180] Aan Allah behoren alle goede eigenschappen. Roept Hem daarbij aan. En laat degenen, die ten opzichte van Zijn eigenschappen van de rechte weg afwijken, met rust. Hun zal worden vergolden naar hetgeen zij hebben bedreven. وَلِلَّهِ الأَسْمَاءُ الْحُسْنَى فَادْعُوه ُُ بِهَا  ۖ  وَذَرُوا الَّذِينَ يُلْحِدُونَ فِي أَسْمَائِه ِِ  ۚ  سَيُجْزَوْنَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ
Wa Mimman Khalaqnā 'Ummatun Yahdūna Bil-Ĥaqqi Wa Bihi Ya`dilūna [7.181] En er is onder hen die Wij hebben geschapen een volk, dat de mensen met waarheid leidt en rechtvaardig oordeelt. وَمِمَّنْ خَلَقْنَا أُمَّة ٌ يَهْدُونَ بِالْحَقِّ وَبِه ِِ يَعْدِلُونَ
Wa Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Sanastadrijuhum Min Ĥaythu Lā Ya`lamūna [7.182] En degenen, die Onze tekenen verwerpen zullen Wij geleidelijk aangrijpen, op een wijze die zij niet verwachten. وَالَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا سَنَسْتَدْرِجُهُمْ مِنْ حَيْثُ لاَ يَعْلَمُونَ
Wa 'Umlī Lahum  ۚ  'Inna Kaydī Matīnun [7.183] Ik geef hun uitstel. Mijn plan is voorzeker machtig. وَأُمْلِي لَهُمْ  ۚ  إِنَّ كَيْدِي مَتِين ٌ
'Awalam Yatafakkarū  ۗ  Mā Bişāĥibihim Min Jinnatin  ۚ  'In Huwa 'Illā Nadhīrun Mubīnun [7.184] Hebben zij er niet over nagedacht dat er in hun metgezel (Mohammed) geen krankzinnigheid is? Hij is slechts een duidelijk waarschuwer. أَوَلَمْ يَتَفَكَّرُوا  ۗ  مَا بِصَاحِبِهِمْ مِنْ جِنَّة ٍ  ۚ  إِنْ هُوَ إِلاَّ نَذِير ٌ مُبِين ٌ
'Awalam Yanžurū Fī Malakūti As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Mā Khalaqa Al-Lahu Min Shay'in Wa 'An `Asá 'An Yakūna Qadi Aqtaraba 'Ajaluhum  ۖ  Fabi'ayyi Ĥadīthin Ba`dahu Yu'uminūna [7.185] Hebben zij het koninkrijk der hemelen en der aarde en alle dingen die Allah geschapen heeft, niet bekeken? En dat hun termijn waarschijnlijk reeds naderbij is gekomen? In welk woord zullen zij dan daarna geloven? أَوَلَمْ يَنظُرُوا فِي مَلَكُوتِ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَا خَلَقَ اللَّهُ مِنْ شَيْء ٍ وَأَنْ عَسَى أَنْ يَكُونَ قَدِ اقْتَرَبَ أَجَلُهُمْ  ۖ  فَبِأَيِّ حَدِيث ٍ بَعْدَه ُُ يُؤْمِنُونَ
Man Yuđlili Al-Lahu Falā Hādiya Lahu  ۚ  Wa Yadharuhum Fī Ţughyānihim Ya`mahūna [7.186] En wie Allah laat dwalen, voor hem kan er geen gids zijn. Hij laat dezulken in hun koppigheid blindelings zwerven. مَنْ يُضْلِلِ اللَّهُ فَلاَ هَادِيَ لَه ُُ  ۚ  وَيَذَرُهُمْ فِي طُغْيَانِهِمْ يَعْمَهُونَ
Yas'alūnaka `Ani As-Sā`ati 'Ayyāna Mursāhā  ۖ  Qul 'Innamā `Ilmuhā `Inda Rabbī  ۖ  Lā Yujallīhā Liwaqtihā 'Illā Huwa  ۚ  Thaqulat Fī As-Samāwāti Wa Al-'Arđi  ۚ  Lā Ta'tīkum 'Illā Baghtatan  ۗ  Yas'alūnaka Ka'annaka Ĥafīyun `Anhā  ۖ  Qul 'Innamā `Ilmuhā `Inda Al-Lahi Wa Lakinna 'Akthara An-Nāsi Lā Ya`lamūna [7.187] Vragen zij u omtrent het uur, wanneer het zal plaatsvinden? Zeg: "De kennis daarvan is slechts bij mijn Heer. Niemand dan Hij kan het op zijn tijd openbaren. Het rust zwaar op de hemel en op de aarde. Het zal slechts onverwacht tot u komen. Zij ondervragen u of gij er goed van op de hoogte zijt. Zeg: "De kennis er van is slechts bij Allah, maar de meeste mensen weten het niet." يَسْأَلُونَكَ عَنِ السَّاعَةِ أَيَّانَ مُرْسَاهَا  ۖ  قُلْ إِنَّمَا عِلْمُهَا عِنْدَ رَبِّي  ۖ  لاَ يُجَلِّيهَا لِوَقْتِهَا إِلاَّ هُوَ  ۚ  ثَقُلَتْ فِي السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ  ۚ  لاَ تَأْتِيكُمْ إِلاَّ بَغْتَة ً  ۗ  يَسْأَلُونَكَ كَأَنَّكَ حَفِيٌّ عَنْهَا  ۖ  قُلْ إِنَّمَا عِلْمُهَا عِنْدَ اللَّهِ وَلَكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لاَ يَعْلَمُونَ
Qul Lā 'Amliku Linafsī Naf`āan Wa Lā Đarrāan 'Illā Mā Shā'a Al-Lahu  ۚ  Wa Law Kuntu 'A`lamu Al-Ghayba Lāstakthartu Mina Al-Khayri Wa Mā Massaniya As-Sū'u  ۚ  'In 'Anā 'Illā Nadhīrun Wa Bashīrun Liqawmin Yu'uminūna [7.188] Zeg: "Ik heb buiten hetgeen Allah wil, geen macht over goed of kwaad voor mijzelf. En als ik het onzienlijke kende zou ik een overvloed van goed hebben bemachtigd en het kwade zou mij niet hebben gedeerd. Ik ben slechts een waarschuwer en een drager van goede tijding voor een volk dat gelooft." قُلْ لاَ أَمْلِكُ لِنَفْسِي نَفْعا ً وَلاَ ضَرّا ً إِلاَّ مَا شَاءَ اللَّهُ  ۚ  وَلَوْ كُنتُ أَعْلَمُ الْغَيْبَ لاَسْتَكْثَرْتُ مِنَ الْخَيْرِ وَمَا مَسَّنِيَ السُّوءُ  ۚ  إِنْ أَنَا إِلاَّ نَذِير ٌ وَبَشِير ٌ لِقَوْم ٍ يُؤْمِنُونَ
Huwa Al-Ladhī Khalaqakum Min Nafsin Wāĥidatin Wa Ja`ala Minhā Zawjahā Liyaskuna 'Ilayhā  ۖ  Falammā Taghashshāhā Ĥamalat Ĥamlāan Khafīfāan Famarrat Bihi  ۖ  Falammā 'Athqalat Da`awā Al-Laha Rabbahumā La'in 'Ātaytanā Şāliĥāan Lanakūnanna Mina Ash-Shākirīna [7.189] Hij is het, Die u uit een enkele ziel heeft geschapen en daaruit haar gade maakte, opdat deze troost in haar mocht vinden. En nadat hij haar bekend heeft, draagt zij een lichte last en gaat er mede rond. En wanneer deze zwaar wordt, bidden zij beiden tot Allah hun Heer: "Als Gij ons een goed kind geeft, zullen wij zeker tot de dankbaren behoren." هُوَ الَّذِي خَلَقَكُمْ مِنْ نَفْس ٍ وَاحِدَة ٍ وَجَعَلَ مِنْهَا زَوْجَهَا لِيَسْكُنَ إِلَيْهَا  ۖ  فَلَمَّا تَغَشَّاهَا حَمَلَتْ حَمْلاً خَفِيفا ً فَمَرَّتْ بِه ِِ  ۖ  فَلَمَّا أَثْقَلَتْ دَعَوَا اللَّهَ رَبَّهُمَا لَئِنْ آتَيْتَنَا صَالِحا ً لَنَكُونَنَّ مِنَ الشَّاكِرِينَ
Falammā 'Ātāhumā Şāliĥāan Ja`alā Lahu Shurakā'a Fīmā 'Ātāhumā  ۚ  Fata`ālá Al-Lahu `Ammā Yushrikūna [7.190] Maar als Hij hun een welgeschapen kind geeft, schrijven zij deelgenoten aan Hem toe, betreffende hetgeen Hij hun beiden heeft gegeven. Maar Allah is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen. فَلَمَّا آتَاهُمَا صَالِحا ً جَعَلاَ لَه ُُ شُرَكَاءَ فِيمَا آتَاهُمَا  ۚ  فَتَعَالَى اللَّهُ عَمَّا يُشْرِكُونَ
'Ayushrikūna Mā Lā Yakhluqu Shay'āan Wa Hum Yukhlaqūna [7.191] Vereenzelvigen zij met Allah degenen die niets scheppen terwijl deze zelf geschapen zijn? أَيُشْرِكُونَ مَا لاَ يَخْلُقُ شَيْئا ً وَهُمْ يُخْلَقُونَ
Wa Lā Yastaţī`ūna Lahum Naşrāan Wa Lā 'Anfusahum Yanşurūna [7.192] En zij kunnen anderen geen hulp verlenen noch kunnen zij zichzelf helpen. وَلاَ يَسْتَطِيعُونَ لَهُمْ نَصْرا ً وَلاَ أَنفُسَهُمْ يَنصُرُونَ
Wa 'In Tad`ūhum 'Ilá Al-Hudá Lā Yattabi`ūkum  ۚ  Sawā'un `Alaykum 'Ada`awtumūhum 'Am 'Antum Şāmitūna [7.193] En als gij hen tot leiding roept zullen zij u niet volgen. Het is gelijk of gij hen roept of zwijgt. وَإِنْ تَدْعُوهُمْ إِلَى الْهُدَى لاَ يَتَّبِعُوكُمْ  ۚ  سَوَاءٌ عَلَيْكُمْ أَدَعَوْتُمُوهُمْ أَمْ أَنْتُمْ صَامِتُونَ
'Inna Al-Ladhīna Tad`ūna Min Dūni Al-Lahi `Ibādun 'Amthālukum  ۖ  Fād`ūhum Falyastajībū Lakum 'In Kuntum Şādiqīna [7.194] Voorwaar, degenen die gij naast Allah aanroept zijn dienaren, zoals gij. Roept hen dan aan en laat hen u verhoren als gij waarheid spreekt. إِنَّ الَّذِينَ تَدْعُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ عِبَادٌ أَمْثَالُكُمْ  ۖ  فَادْعُوهُمْ فَلْيَسْتَجِيبُوا لَكُمْ إِنْ كُنتُمْ صَادِقِينَ
'Alahum 'Arjulun Yamshūna Bihā  ۖ  'Am Lahum 'Aydin Yabţishūna Bihā  ۖ  'Am Lahum 'A`yunun Yubşirūna Bihā  ۖ  'Am Lahum 'Ādhānun Yasma`ūna Bihā  ۗ  Quli AdShurakā'akum Thumma Kīdūni Falā Tunžirūni [7.195] Hebben zij voeten waarmede zij lopen of hebben zij handen waarmede zij vasthouden, of hebben zij ogen waarmede zij zien of hebben zij oren waarmede zij horen? Zeg: "Roept de deelgenoten aan. Smeedt plannen tegen mij (profeet) en geeft mij geen uitstel" أَلَهُمْ أَرْجُل ٌ يَمْشُونَ بِهَا  ۖ  أَمْ لَهُمْ أَيْد ٍ يَبْطِشُونَ بِهَا  ۖ  أَمْ لَهُمْ أَعْيُن ٌ يُبْصِرُونَ بِهَا  ۖ  أَمْ لَهُمْ آذَان ٌ يَسْمَعُونَ بِهَا  ۗ  قُلِ ادْعُوا شُرَكَاءَكُمْ ثُمَّ كِيدُونِ فَلاَ تُنظِرُونِ
'Inna Walīyiya Al-Lahu Al-Ladhī Nazzala Al-Kitāba  ۖ  Wa Huwa Yatawallá Aş-Şāliĥīna [7.196] Waarlijk, mijn Beschermer is alleen Allah Die het Boek (de Koran) heeft geopenbaard. En Hij is de Beschermer der goeden. إِنَّ وَلِيِّيَ اللَّهُ الَّذِي نَزَّلَ الْكِتَابَ  ۖ  وَهُوَ يَتَوَلَّى الصَّالِحِينَ
Wa Al-Ladhīna Tad`ūna Min Dūnihi Lā Yastaţī`ūna Naşrakum Wa Lā 'Anfusahum Yanşurūna [7.197] En zij, die gij naast Hem aanroept hebben geen macht om u te helpen noch kunnen zij zichzelf helpen. وَالَّذِينَ تَدْعُونَ مِنْ دُونِهِ لاَ يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَكُمْ وَلاَ أَنفُسَهُمْ يَنصُرُونَ
Wa 'In Tad`ūhum 'Ilá Al-Hudá Lā Yasma`ū  ۖ  Wa Tarāhum Yanžurūna 'Ilayka Wa Hum Lā Yubşirūna [7.198] En als gij hen tot leiding uitnodigt horen zij u niet. En gij ziet hen naar u kijken maar zij zien niet. وَإِنْ تَدْعُوهُمْ إِلَى الْهُدَى لاَ يَسْمَعُوا  ۖ  وَتَرَاهُمْ يَنظُرُونَ إِلَيْكَ وَهُمْ لاَ يُبْصِرُونَ
Khudhi Al-`Afwa Wa 'Mur Bil-`Urfi Wa 'A`riđ `Ani Al-Jāhilīna [7.199] Neig u tot vergiffenis en spoor tot vriendelijkheid aan en wend u van de onwetenden af. خُذِ الْعَفْوَ وَأْمُرْ بِالْعُرْفِ وَأَعْرِضْ عَنِ الْجَاهِلِينَ
Wa 'Immā Yanzaghannaka Mina Ash-Shayţāni Nazghun Fāsta`idh Bil-Lahi  ۚ  'Innahu Samī`un `Alīmun [7.200] En als een boze ingeving van Satan u (tot het kwade) aanspoort, zoek dan uw toevlucht bij Allah; voorzeker, Hij is Alhorend, Alwetend. وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ الشَّيْطَانِ نَزْغ ٌ فَاسْتَعِذْ بِاللَّهِ  ۚ  إِنَّه ُُ سَمِيعٌ عَلِيم ٌ
'Inna Al-Ladhīna Attaqaw 'Idhā Massahum Ţā'ifun Mina Ash-Shayţāni Tadhakkarū Fa'idhā Hum Mubşirūna [7.201] Degenen die (God) vrezen, wanneer hen een boze neiging van Satan overvalt, gedenken Allah en ziet, zij zijn ziende. إِنَّ الَّذِينَ اتَّقَوْا إِذَا مَسَّهُمْ طَائِف ٌ مِنَ الشَّيْطَانِ تَذَكَّرُوا فَإِذَا هُمْ مُبْصِرُونَ
Wa 'Ikhwānuhum Yamuddūnahum Al-Ghayyi Thumma Lā Yuqşirūna [7.202] En hun broederen trachten hen te doen toenemen in dwaling, doch zij falen niet. وَإِخْوَانُهُمْ يَمُدُّونَهُمْ فِي الغَيِّ ثُمَّ لاَ يُقْصِرُونَ
Wa 'Idhā Lam Ta'tihim Bi'āyatin Qālū Lawlā Ajtabaytahā  ۚ  Qul 'Innamā 'Attabi`u Mā Yūĥá 'Ilayya Min Rabbī  ۚ  Hādhā Başā'iru Min Rabbikum Wa Hudáan Wa Raĥmatun Liqawmin Yu'uminūna [7.203] En wanneer gij hun geen teken brengt, zeggen zij: "Waarom verzint gij het niet? " Antwoord: "Ik volg alleen hetgeen mij van mijn Heer wordt geopenbaard." Dit zijn de bewijzen van uw Heer en een leiding en een barmhartigheid voor een volk, dat gelooft. وَإِذَا لَمْ تَأْتِهِمْ بِآيَة ٍ قَالُوا لَوْلاَ اجْتَبَيْتَهَا  ۚ  قُلْ إِنَّمَا أَتَّبِعُ مَا يُوحَى إِلَيَّ مِنْ رَبِّي  ۚ  هَذَا بَصَائِرُ مِنْ رَبِّكُمْ وَهُدى ً وَرَحْمَة ٌ لِقَوْم ٍ يُؤْمِنُونَ
Wa 'Idhā Quri'a Al-Qur'ānu Fāstami`ū Lahu Wa 'Anşitū La`allakum Turĥamūna [7.204] En wanneer de Koran wordt voorgedragen, luistert er naar en weest stil, opdat u barmhartigheid moge geschieden. وَإِذَا قُرِئَ الْقُرْآنُ فَاسْتَمِعُوا لَه ُُ وَأَنصِتُوا لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ
Wa Adhkur Rabbaka Fī Nafsika Tađarru`āan Wa Khīfatan Wa Dūna Al-Jahri Mina Al-Qawli Bil-Ghudūwi Wa Al-'Āşāli Wa Lā Takun Mina Al-Ghāfilīna [7.205] En gedenk uw Heer, 's morgens en 's avonds in uw gedachte met nederigheid en vrees en zonder luidruchtigheid van spraak en behoor niet tot de onachtzamen. وَاذْكُرْ رَبَّكَ فِي نَفْسِكَ تَضَرُّعا ً وَخِيفَة ً وَدُونَ الْجَهْرِ مِنَ الْقَوْلِ بِالْغُدُوِّ وَالآصَالِ وَلاَ تَكُنْ مِنَ الْغَافِلِينَ
'Inna Al-Ladhīna `Inda Rabbika Lā Yastakbirūna `An `Ibādatihi Wa Yusabbiĥūnahu Wa Lahu Yasjudūna [7.206] Waarlijk, degenen die dicht bij uw Heer zijn wenden zich niet met trots van Zijn aanbidding af doch zij verheerlijken Hem en werpen zich voor Hem neder. إِنَّ الَّذِينَ عِنْدَ رَبِّكَ لاَ يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِه ِِ وَيُسَبِّحُونَه ُُ وَلَه ُُ يَسْجُدُونَ
Next Sūrah