Yas'alūnaka `Ani Al-'Anfāl Quli Al-'Anfāli Lillahi Wa Ar-Rasūli Fa Attaqū Al-Laha Wa 'Aşliĥū Dhāta Baynikum Wa 'Aţī`ū Al-Laha Wa Rasūlahu 'In Kuntum Mu'uminīna  | [8.1] Zij vragen u omtrent de oorlogsbuit. Antwoord: "De oorlogsbuit behoort aan Allah en de boodschapper. Vreest daarom Allah en regelt (uw geschillen) onderling inschikkelijk en gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper als gij gelovigen zijt." | يَسْأَلُونَكَ عَنِ الأَنفَال قُلِ الأَنفَالِ لِلَّهِ وَالرَّسُولِ ۖ فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَصْلِحُوا ذَاتَ ۖ بَيْنِكُمْ وَأَطِيعُوا اللَّهَ وَرَسُولَهُ~ُ إِنْ ۖ كُنتُمْ مُؤْمِنِينَ |
'Innamā Al-Mu'uminūna Al-Ladhīna 'Idhā Dhukira Al-Lahu Wajilat Qulūbuhum Wa 'Idhā Tuliyat `Alayhim 'Āyātuhu Zādat/hum 'Īmānāan Wa `Alá Rabbihim Yatawakkalūna  | [8.2] Ware gelovigen zijn slechts degenen wier hart vol vrees klopt, wanneer de naam van Allah wordt genoemd en wanneer Zijn tekenen hun worden voorgelezen, doet dit hen in geloof toenemen en op hun Heer vertrouwen. | إِنَّمَا الْمُؤْمِنُونَ الَّذِينَ إِذَا ذُكِرَ اللَّهُ وَجِلَتْ قُلُوبُهُمْ وَإِذَا تُلِيَتْ عَلَيْهِمْ آيَاتُه ُُ زَادَتْهُمْ إِيمَانَا ً وَعَلَى رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَ |
Al-Ladhīna Yuqīmūna Aş-Şalāata Wa Mimmā Razaqnāhum Yunfiqūna  | [8.3] Die het gebed houden en van hetgeen, waarmede Wij hen hebben voorzien, mededelen, | الَّذِينَ يُقِيمُونَ الصَّلاَةَ وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنفِقُونَ |
'Ūlā'ika Humu Al-Mu'uminūna Ĥaqqāan ۚ Lahum Darajātun `Inda Rabbihim Wa Maghfiratun Wa Rizqun Karīmun  | [8.4] Dezen zijn de ware gelovigen. Voor hen zijn graden bij hun Heer, vergiffenis en een waardige voorziening. | أُوْلَائِكَ هُمُ الْمُؤْمِنُونَ حَقّا ً ۚ لَهُمْ دَرَجَاتٌ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَمَغْفِرَة ٌ وَرِزْق ٌ كَرِيم ٌ |
Kamā 'Akhrajaka Rabbuka Min Baytika Bil-Ĥaqqi Wa 'Inna Farīqāan Mina Al-Mu'uminīna Lakārihūna  | [8.5] Toen uw Heer u in waarheid van uw huis deed weggaan, was een gedeelte van de gelovigen er afkerig van. | كَمَا أَخْرَجَكَ رَبُّكَ مِنْ بَيْتِكَ بِالْحَقِّ وَإِنَّ فَرِيقا ً مِنَ الْمُؤْمِنِينَ لَكَارِهُونَ |
Yujādilūnaka Fī Al-Ĥaqqi Ba`damā Tabayyana Ka'annamā Yusāqūna 'Ilá Al-Mawti Wa Hum Yanžurūna  | [8.6] Zij redetwistten met u over de waarheid nadat deze was bekend gemaakt alsof zij zienderogen tot de dood werden gedreven. | يُجَادِلُونَكَ فِي الْحَقِّ بَعْدَمَا تَبَيَّنَ كَأَنَّمَا يُسَاقُونَ إِلَى الْمَوْتِ وَهُمْ يَنظُرُونَ |
Wa 'Idh Ya`idukumu Al-Lahu 'Iĥdá Aţ-Ţā'ifatayni 'Annahā Lakum Wa Tawaddūna 'Anna Ghayra Dhāti Ash-Shawkati Takūnu Lakum Wa Yurīdu Al-Lahu 'An Yuĥiqqa Al-Ĥaqqa Bikalimātihi Wa Yaqţa`a Dābira Al-Kāfirīna  | [8.7] En toen Allah u één der twee partijen beloofde dat zij de uwe zou zijn, wenstet gij, dat de partij zonder wapenen de uwe zou worden, maar Allah wilde door Zijn Woorden de waarheid bevestigen en de levenswortel der ongelovigen afsnijden. | وَإِذْ يَعِدُكُمُ اللَّهُ إِحْدَى الطَّائِفَتَيْنِ أَنَّهَا لَكُمْ وَتَوَدُّونَ أَنَّ غَيْرَ ذَاتِ الشَّوْكَةِ تَكُونُ لَكُمْ وَيُرِيدُ اللَّهُ أَنْ يُحِقَّ الْحَقَّ بِكَلِمَاتِه ِِ وَيَقْطَعَ دَابِرَ الْكَافِرِينَ |
Liyuĥiqqa Al-Ĥaqqa Wa Yubţila Al-Bāţila Wa Law Kariha Al-Mujrimūna  | [8.8] Opdat Hij de waarheid mocht bevestigen en de leugen teniet mocht doen, ofschoon de schuldigen er afkerig van zijn. | لِيُحِقَّ الْحَقَّ وَيُبْطِلَ الْبَاطِلَ وَلَوْ كَرِهَ الْمُجْرِمُونَ |
'Idh Tastaghīthūna Rabbakum Fāstajāba Lakum 'Annī Mumiddukum Bi'alfin Mina Al-Malā'ikati Murdifīna  | [8.9] Toen gij de hulp van uw Heer afsmeektet en Hij u antwoordde: "Ik zal u met duizend engelen helpen die elkander opvolgen." | إِذْ تَسْتَغِيثُونَ رَبَّكُمْ فَاسْتَجَابَ لَكُمْ أَنِّي مُمِدُّكُمْ بِأَلْف ٍ مِنَ الْمَلاَئِكَةِ مُرْدِفِينَ |
Wa Mā Ja`alahu Al-Lahu 'Illā Bushrá Wa Litaţma'inna Bihi Qulūbukum ۚ Wa Mā An-Naşru 'Illā Min `Indi Al-Lahi ۚ 'Inna Al-Laha `Azīzun Ĥakīmun  | [8.10] Allah gaf het slechts als verblijdend nieuws en opdat uw hart daardoor mocht worden gerustgesteld. Want hulp komt alleen van Allah; voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs. | وَمَا جَعَلَهُ اللَّهُ إِلاَّ بُشْرَى وَلِتَطْمَئِنَّ بِه ِِ قُلُوبُكُمْ ۚ وَمَا النَّصْرُ إِلاَّ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيم ٌ |
'Idh Yughashshīkumu An-Nu`āsa 'Amanatan Minhu Wa Yunazzilu `Alaykum Mina As-Samā'i Mā'an Liyuţahhirakum Bihi Wa Yudh/hiba `Ankum Rijza Ash-Shayţāni Wa Liyarbiţa `Alá Qulūbikum Wa Yuthabbita Bihi Al-'Aqdāma  | [8.11] Toen Hij slaap over u deed komen als beveiliging van Hem en water van de wolken over u nederzond, opdat Hij u daardoor mocht reinigen en het vuil van Satan van u mocht verwijderen en opdat Hij uw hart mocht sterken en u mocht doen volhouden. | إِذْ يُغَشِّيكُمُ النُّعَاسَ أَمَنَة ً مِنْهُ وَيُنَزِّلُ عَلَيْكُمْ مِنَ السَّمَاءِ مَاء ً لِيُطَهِّرَكُمْ بِه ِِ وَيُذْهِبَ عَنكُمْ رِجْزَ الشَّيْطَانِ وَلِيَرْبِطَ عَلَى قُلُوبِكُمْ وَيُثَبِّتَ بِهِ الأَقْدَامَ |
'Idh Yūĥī Rabbuka 'Ilá Al-Malā'ikati 'Annī Ma`akum Fathabbitū Al-Ladhīna 'Āmanū ۚ Sa'ulqī Fī Qulūbi Al-Ladhīna Kafarū Ar-Ru`ba Fāđribū Fawqa Al-'A`nāqi Wa Ađribū Minhum Kulla Banānin  | [8.12] Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af." | إِذْ يُوحِي رَبُّكَ إِلَى الْمَلاَئِكَةِ أَنِّي مَعَكُمْ فَثَبِّتُوا الَّذِينَ آمَنُوا ۚ سَأُلْقِي فِي قُلُوبِ الَّذِينَ كَفَرُوا الرُّعْبَ فَاضْرِبُوا فَوْقَ الأَعْنَاقِ وَاضْرِبُوا مِنْهُمْ كُلَّ بَنَان ٍ |
Dhālika Bi'annahum Shāqqū Al-Laha Wa Rasūlahu ۚ Wa Man Yushāqiqi Al-Laha Wa Rasūlahu Fa'inna Al-Laha Shadīdu Al-`Iqābi  | [8.13] Dit is, omdat zij zich tegen Allah en Zijn boodschapper hebben verzet. En wie tegen Allah en Zijn boodschapper strijdt, (wete) Allah is voorzeker streng in vergelding. | ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ شَاقُّوا اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ ۚ وَمَنْ يُشَاقِقِ اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ فَإِنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعِقَابِ |
Dhālikum Fadhūqūhu Wa 'Anna Lilkāfirīna `Adhāba An-Nāri  | [8.14] Dat is (uw straf), ondergaat haar daarom en weet dat er voor de ongelovigen de straf van het Vuur is. | ذَلِكُمْ فَذُوقُوه ُُ وَأَنَّ لِلْكَافِرِينَ عَذَابَ النَّارِ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'Idhā Laqītumu Al-Ladhīna Kafarū Zaĥfāan Falā Tuwallūhumu Al-'Adbāra  | [8.15] O, gij die gelooft, wanneer gij degenen die niet geloven, op u af ziet komen wendt hun dan niet uw rug toe. | يَاأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا لَقِيتُمُ الَّذِينَ كَفَرُوا زَحْفا ً فَلاَ تُوَلُّوهُمُ الأَدْبَارَ |
Wa Man Yuwallihim Yawma'idhin Duburahu 'Illā Mutaĥarrifāan Liqitālin 'Aw Mutaĥayyizāan 'Ilá Fi'atin Faqad Bā'a Bighađabin Mina Al-Lahi Wa Ma'wāhu Jahannamu ۖ Wa Bi'sa Al-Maşīru  | [8.16] En wie op die dag zijn rug toekeert, tenzij hij voor het gevecht manoeuvreert of om plaats te nemen bij een andere groep, doet inderdaad de toorn van Allah over zich komen en de hel zal zijn tehuis zijn en dat is een slechte verblijfplaats. | وَمَنْ يُوَلِّهِمْ يَوْمَئِذ ٍ دُبُرَهُ~ُ إِلاَّ مُتَحَرِّفا ً لِقِتَالٍ أَوْ مُتَحَيِّزا ً إِلَى فِئَة ٍ فَقَدْ بَاءَ بِغَضَب ٍ مِنَ اللَّهِ وَمَأْوَاه ُُ جَهَنَّمُ ۖ وَبِئْسَ الْمَصِيرُ |
Falam Taqtulūhum Wa Lakinna Al-Laha Qatalahum ۚ Wa Mā Ramayta 'Idh Ramayta Wa Lakinna Al-Laha Ramá ۚ Wa Liyubliya Al-Mu'uminīna Minhu Balā'an Ĥasanāan ۚ 'Inna Al-Laha Samī`un `Alīmun  | [8.17] Gij dooddet hen niet, doch Allah was het, Die hen doodde. En gij wierpt niet toen gij wierpt, maar Allah was het die wierp, opdat Hij de gelovigen een grote gunst van Zich mocht bewijzen. Voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend. | فَلَمْ تَقْتُلُوهُمْ وَلَكِنَّ اللَّهَ قَتَلَهُمْ ۚ وَمَا رَمَيْتَ إِذْ رَمَيْتَ وَلَكِنَّ اللَّهَ رَمَى ۚ وَلِيُبْلِيَ الْمُؤْمِنِينَ مِنْهُ بَلاَءً حَسَنا ً ۚ إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيم ٌ |
Dhālikum Wa 'Anna Al-Laha Mūhinu Kaydi Al-Kāfirīna  | [8.18] Dit (geschiedde) en voorzeker is Allah degene, Die het plan van de ongelovigen verijdelt. | ذَلِكُمْ وَأَنَّ اللَّهَ مُوهِنُ كَيْدِ الْكَافِرِينَ |
'In Tastaftiĥū Faqad Jā'akumu Al-Fatĥu ۖ Wa 'In Tantahū Fahuwa Khayrun Lakum ۖ Wa 'In Ta`ūdū Na`ud Wa Lan Tughniya `Ankum Fi'atukum Shay'āan Wa Law Kathurat Wa 'Anna Al-Laha Ma`a Al-Mu'uminīna  | [8.19] Als gij een oordeel zoekt, dan is het oordeel reeds tot u gekomen. En als gij ophoudt, zal het beter voor u zijn, maar als gij terugkeert, zullen Wij ook terugkeren. En uw partij zal u in het geheel niet baten hoe talrijk zij ook moge zijn en Allah is voorzeker met de gelovigen. | إِنْ تَسْتَفْتِحُوا فَقَدْ جَاءَكُمُ الْفَتْحُ ۖ وَإِنْ تَنتَهُوا فَهُوَ خَيْر ٌ لَكُمْ ۖ وَإِنْ تَعُودُوا نَعُدْ وَلَنْ تُغْنِيَ عَنكُمْ فِئَتُكُمْ شَيْئا ً وَلَوْ كَثُرَتْ وَأَنَّ اللَّهَ مَعَ الْمُؤْمِنِينَ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'Aţī`ū Al-Laha Wa Rasūlahu Wa Lā Tawallaw `Anhu Wa 'Antum Tasma`ūna  | [8.20] O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en wendt u niet van hem af, terwijl gij hoort. | يَاأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا أَطِيعُوا اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ وَلاَ تَوَلَّوْا عَنْهُ وَأَنْتُمْ تَسْمَعُونَ |
Wa Lā Takūnū Kālladhīna Qālū Sami`nā Wa Hum Lā Yasma`ūna  | [8.21] En weest niet zoals degenen, die zeggen: "Wij horen," maar zij horen niet. | وَلاَ تَكُونُوا كَالَّذِينَ قَالُوا سَمِعْنَا وَهُمْ لاَ يَسْمَعُونَ |
'Inna Sharra Ad-Dawābbi `Inda Al-Lahi Aş-Şummu Al-Bukmu Al-Ladhīna Lā Ya`qilūna  | [8.22] Voorzeker, erger dan de beesten zijn in de ogen van Allah de doven en de stommen die niet willen begrijpen. | إِنَّ شَرَّ الدَّوَابِّ عِنْدَ اللَّهِ الصُّمُّ الْبُكْمُ الَّذِينَ لاَ يَعْقِلُونَ |
Wa Law `Alima Al-Lahu Fīhim Khayrāan La'asma`ahum ۖ Wa Law 'Asma`ahum Latawallaw Wa Hum Mu`riđūna  | [8.23] Als Allah enig goed in hen had ontdekt, zou Hij hen voorzeker hebben doen horen. En als Hij hen zou hebben laten horen hadden zij zich in afkerigheid afgewend. | وَلَوْ عَلِمَ اللَّهُ فِيهِمْ خَيْرا ً لَأَسْمَعَهُمْ ۖ وَلَوْ أَسْمَعَهُمْ لَتَوَلَّوا وَهُمْ مُعْرِضُونَ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Astajībū Lillahi Wa Lilrrasūli 'Idhā Da`ākum Limā Yuĥyīkum ۖ Wa A`lamū 'Anna Al-Laha Yaĥūlu Bayna Al-Mar'i Wa Qalbihi Wa 'Annahu 'Ilayhi Tuĥsharūna  | [8.24] O, gij die gelooft, geeft gehoor aan Allah en de boodschapper wanneer Hij u roept, opdat Hij u leven moge geven en weet, dat Allah tussen een man en zijn hart komt en dat Hij het is tot Wie gij zult worden vergaderd. | يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اسْتَجِيبُوا لِلَّهِ وَلِلرَّسُولِ إِذَا دَعَاكُمْ لِمَا يُحْيِيكُمْ ۖ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ يَحُولُ بَيْنَ الْمَرْءِ وَقَلْبِه ِِ وَأَنَّهُ~ُ إِلَيْهِ تُحْشَرُونَ |
Wa Attaqū Fitnatan Lā Tuşībanna Al-Ladhīna Žalamū Minkum Khāşşatan ۖ Wa A`lamū 'Anna Al-Laha Shadīdu Al-`Iqābi  | [8.25] En behoedt u voor het onheil, dat niet alleen degenen, die onder u kwaad doen zal treffen. En weet, dat Allah streng is in het straffen. | وَاتَّقُوا فِتْنَة ً لاَ تُصِيبَنَّ الَّذِينَ ظَلَمُوا مِنْكُمْ خَاصَّة ً ۖ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعِقَابِ |
Wa Adhkurū 'Idh 'Antum Qalīlun Mustađ`afūna Fī Al-'Arđi Takhāfūna 'An Yatakhaţţafakumu An-Nāsu Fa'āwākum Wa 'Ayyadakum Binaşrihi Wa Razaqakum Mina Aţ-Ţayyibāti La`allakum Tashkurūna  | [8.26] En gedenkt, toen gij weinigen waart en zwak werd geacht in het land en toen gij vreesdet, dat de mensen u weg zouden voeren, hoe Hij u beschermde en sterkte met Zijn hulp en u voorzag van goede dingen, opdat gij dankbaar mocht zijn. | وَاذْكُرُوا إِذْ أَنْتُمْ قَلِيل ٌ مُسْتَضْعَفُونَ فِي الأَرْضِ تَخَافُونَ أَنْ يَتَخَطَّفَكُمُ النَّاسُ فَآوَاكُمْ وَأَيَّدَكُمْ بِنَصْرِه ِِ وَرَزَقَكُمْ مِنَ الطَّيِّبَاتِ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Lā Takhūnū Al-Laha Wa Ar-Rasūla Wa Takhūnū 'Amānātikum Wa 'Antum Ta`lamūna  | [8.27] O, gij die gelooft, weest Allah en de boodschapper niet ontrouw en weest niet ontrouw aan het u toevertrouwde tegen beter weten in. | يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لاَ تَخُونُوا اللَّهَ وَالرَّسُولَ وَتَخُونُوا أَمَانَاتِكُمْ وَأَنْتُمْ تَعْلَمُونَ |
Wa A`lamū 'Annamā 'Amwālukum Wa 'Awlādukum Fitnatun Wa 'Anna Al-Laha `Indahu 'Ajrun `Ažīmun  | [8.28] En weet, dat uw bezittingen en uw kinderen slechts een beproeving zijn en dat voorzeker bij Allah een grote beloning is. | وَاعْلَمُوا أَنَّمَا أَمْوَالُكُمْ وَأَوْلاَدُكُمْ فِتْنَة ٌ وَأَنَّ اللَّهَ عِنْدَهُ~ُ أَجْرٌ عَظِيم ٌ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'In Tattaqū Al-Laha Yaj`al Lakum Furqānāan Wa Yukaffir `Ankum Sayyi'ātikum Wa Yaghfir Lakum Wa ۗ Allāhu Dhū Al-Fađli Al-`Ažīmi  | [8.29] O, gij die gelooft, als gij Allah vreest zal Hij u een onderscheiding verlenen en uw tekortkomingen voor u bedekken en u vergeven; Allah is Heer van grote Genade. | يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنْ تَتَّقُوا اللَّهَ يَجْعَلْ لَكُمْ فُرْقَانا ً وَيُكَفِّرْ عَنكُمْ سَيِّئَاتِكُمْ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ۗ وَاللَّهُ ذُو الْفَضْلِ الْعَظِيمِ |
Wa 'Idh Yamkuru Bika Al-Ladhīna Kafarū Liyuthbitūka 'Aw Yaqtulūka 'Aw Yukhrijūka ۚ Wa Yamkurūna Wa Yamkuru Al-Lahu Wa ۖ Allāhu Khayru Al-Mākirīna  | [8.30] Toen smeedden de ongelovigen tegan u plannen, opdat zij u gevangen mochten nemen of doden of verbannen. En zij maakten plannen en Allah maakte plannen en Allah is het best in staat plannen te verijdelen. | وَإِذْ يَمْكُرُ بِكَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِيُثْبِتُوكَ أَوْ يَقْتُلُوكَ أَوْ يُخْرِجُوكَ ۚ وَيَمْكُرُونَ وَيَمْكُرُ اللَّهُ ۖ وَاللَّهُ خَيْرُ الْمَاكِرِينَ |
Wa 'Idhā Tutlá `Alayhim 'Āyātunā Qālū Qad Sami`nā Law Nashā'u Laqulnā Mithla Hādhā ۙ 'In Hādhā 'Illā 'Asāţīru Al-'Awwalīna  | [8.31] En wanneer Onze verzen worden voorgelezen aan hen, zeggen zij: "Wij hebben het gehoord. Als wij willen kunnen wij gewis iets dergelijks uiten. Dit zijn niets dan fabelen der ouden." | وَإِذَا تُتْلَى عَلَيْهِمْ آيَاتُنَا قَالُوا قَدْ سَمِعْنَا لَوْ نَشَاءُ لَقُلْنَا مِثْلَ هَذَا ۙ إِنْ هَذَا إِلاَّ أَسَاطِيرُ الأَوَّلِينَ |
Wa 'Idh Qālū Al-Lahumma 'In Kāna Hādhā Huwa Al-Ĥaqqa Min `Indika Fa'amţir `Alaynā Ĥijāratan Mina As-Samā'i 'Aw A'tinā Bi`adhābin 'Alīmin  | [8.32] En toen zij zeiden: "O Allah, als dit inderdaad de waarheid van U is, doe dan stenen uit de hemel over ons regenen of geef ons een (andere) smartelijke straf." | وَإِذْ قَالُوا اللَّهُمَّ إِنْ كَانَ هَذَا هُوَ الْحَقَّ مِنْ عِنْدِكَ فَأَمْطِرْ عَلَيْنَا حِجَارَة ً مِنَ السَّمَاءِ أَوْ ائْتِنَا بِعَذَابٍ أَلِيم ٍ |
Wa Mā Kāna Al-Lahu Liyu`adhdhibahum Wa 'Anta Fīhim ۚ Wa Mā Kāna Al-Lahu Mu`adhdhibahum Wa Hum Yastaghfirūna  | [8.33] Maar Allah zal hen niet straffen zolang gij onder hen zijt noch zal Allah hen straffen indien zij om vergiffenis vragen. | وَمَا كَانَ اللَّهُ لِيُعَذِّبَهُمْ وَأَنْتَ فِيهِمْ ۚ وَمَا كَانَ اللَّهُ مُعَذِّبَهُمْ وَهُمْ يَسْتَغْفِرُونَ |
Wa Mā Lahum 'Allā Yu`adhdhibahumu Al-Lahu Wa Hum Yaşuddūna `Ani Al-Masjidi Al-Ĥarāmi Wa Mā Kānū 'Awliyā'ahu ۚ 'In 'Awliyā'uuhu 'Illā Al-Muttaqūna Wa Lakinna 'Aktharahum Lā Ya`lamūna  | [8.34] Waarom zal Allah hen niet straffen, wanneer zij de mensen beletten de heilige moskee binnen te gaan en er geen bewakers van zijn? De bewakers er van zijn alleen de godvruchtigen, maar de meesten hunner beseffen het niet. | وَمَا لَهُمْ أَلاَّ يُعَذِّبَهُمُ اللَّهُ وَهُمْ يَصُدُّونَ عَنِ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ وَمَا كَانُوا أَوْلِيَاءَهُ~ُ ۚ إِنْ أَوْلِيَاؤُهُ~ُ إِلاَّ الْمُتَّقُونَ وَلَكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لاَ يَعْلَمُونَ |
Wa Mā Kāna Şalātuhum `Inda Al-Bayti 'Illā Mukā'an Wa Taşdiyatan ۚ Fadhūqū Al-`Adhāba Bimā Kuntum Takfurūna  | [8.35] En hun gebed in het Huis (de Kaaba) is niet anders dan fluiten en klappen in de handen. "Ondergaat daarom de straf omdat gij placht te verwerpen." | وَمَا كَانَ صَلاَتُهُمْ عِنْدَ الْبَيْتِ إِلاَّ مُكَاء ً وَتَصْدِيَة ً ۚ فَذُوقُوا الْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ |
'Inna Al-Ladhīna Kafarū Yunfiqūna 'Amwālahum Liyaşuddū `An Sabīli Al-Lahi ۚ Fasayunfiqūnahā Thumma Takūnu `Alayhim Ĥasratan Thumma Yughlabūna Wa ۗ Al-Ladhīna Kafarū 'Ilá Jahannama Yuĥsharūna  | [8.36] Voorzeker, de ongelovigen besteden hun rijkdommen om anderen van de weg van Allah af te leiden. Zij zullen doorgaan ze te verspillen maar daarna zullen zij spijt hebben en worden overwonnen. En zij die verwerpen zullen in de hel worden verzameld. | إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا يُنْفِقُونَ أَمْوَالَهُمْ لِيَصُدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ ۚ فَسَيُنفِقُونَهَا ثُمَّ تَكُونُ عَلَيْهِمْ حَسْرَة ً ثُمَّ يُغْلَبُونَ ۗ وَالَّذِينَ كَفَرُوا إِلَى جَهَنَّمَ يُحْشَرُونَ |
Liyamīza Al-Lahu Al-Khabītha Mina Aţ-Ţayyibi Wa Yaj`ala Al-Khabītha Ba`đahu `Alá Ba`đin Fayarkumahu Jamī`āan Fayaj`alahu Fī Jahannama ۚ 'Ūlā'ika Humu Al-Khāsirūna  | [8.37] Zodat Allah de bozen van de goeden moge scheiden en de bozen bij elkander moge drijven en hen allen tezamen moge ophopen en hen dan in de hel moge werpen. Dit zijn de verliezers. | لِيَمِيزَ اللَّهُ الْخَبِيثَ مِنَ الطَّيِّبِ وَيَجْعَلَ الْخَبِيثَ بَعْضَه ُُ عَلَى بَعْض ٍ فَيَرْكُمَه ُُ جَمِيعا ً فَيَجْعَلَه ُُ فِي جَهَنَّمَ ۚ أُوْلَائِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ |
Qul Lilladhīna Kafarū 'In Yantahū Yughfar Lahum Mā Qad Salafa Wa 'In Ya`ūdū Faqad Mađat Sunnatu Al-'Awwalīna  | [8.38] Zeg tot degenen die niet geloven, dat als zij ophouden (u te vervolgen), hetgeen voorby is hen zal worden vergeven en indien zij er weer in vervallen, voorwaar, dan is er akeeds het voorbeeld van vroegere volkeren. | قُلْ لِلَّذِينَ كَفَرُوا إِنْ يَنتَهُوا يُغْفَرْ لَهُمْ مَا قَدْ سَلَفَ وَإِنْ يَعُودُوا فَقَدْ مَضَتْ سُنَّةُ الأَوَّلِينَ |
Wa Qātilūhum Ĥattá Lā Takūna Fitnatun Wa Yakūna Ad-Dīnu Kulluhu Lillahi ۚ Fa'ini Antahaw Fa'inna Al-Laha Bimā Ya`malūna Başīrun  | [8.39] En bestrijdt hen totdat er geen vervolging is en de godsdienst geheel voor Allah wordt. Maar als zij ophouden dan ziet Allah voorzeker hetgeen zij doen. | وَقَاتِلُوهُمْ حَتَّى لاَ تَكُونَ فِتْنَة ٌ وَيَكُونَ الدِّينُ كُلُّه ُُ لِلَّهِ ۚ فَإِنِ انتَهَوْا فَإِنَّ اللَّهَ بِمَا يَعْمَلُونَ بَصِير ٌ |
Wa 'In Tawallaw Fā`lamū 'Anna Al-Laha Mawlākum ۚ Ni`ma Al-Mawlá Wa Ni`ma An-Naşīru  | [8.40] En als zij terugvallen weet dan, dat Allah uw Beschermer is, een uitstekende Beschermer en een uitstekende Helper. | وَإِنْ تَوَلَّوْا فَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ مَوْلاَكُمْ ۚ نِعْمَ الْمَوْلَى وَنِعْمَ النَّصِيرُ |
Wa A`lamū 'Annamā Ghanimtum Min Shay'in Fa'anna Lillahi Khumusahu Wa Lilrrasūli Wa Lidhī Al-Qurbá Wa Al-Yatāmá Wa Al-Masākīni Wa Abni As-Sabīli 'In Kuntum 'Āmantum Bil-Lahi Wa Mā 'Anzalnā `Alá `Abdinā Yawma Al-Furqāni Yawma At-Taqá Al-Jam`āni Wa ۗ Allāhu `Alá Kulli Shay'in Qadīrun  | [8.41] En weet, dat wat gij ook als buit neemt, er een vijfde van voor Allah, de boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen en de reiziger is, - indien gij in Allah gelooft en in hetgeen Wij aan Onze dienaar op de dag der onderscheiding nederzonden, de dag waarop de twee legers elkander ontmoetten. En Allah heeft macht over alle dingen. | وَاعْلَمُوا أَنَّمَا غَنِمْتُمْ مِنْ شَيْء ٍ فَأَنَّ لِلَّهِ خُمُسَه ُُ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي الْقُرْبَى وَالْيَتَامَى وَالْمَسَاكِينِ وَابْنِ السَّبِيلِ إِنْ كُنتُمْ آمَنْتُمْ بِاللَّهِ وَمَا أَنزَلْنَا عَلَى عَبْدِنَا يَوْمَ الْفُرْقَانِ يَوْمَ الْتَقَى الْجَمْعَانِ ۗ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ قَدِير ٌ |
'Idh 'Antum Bil-`Udwati Ad-Dunyā Wa Hum Bil-`Udwati Al-Quşwá Wa Ar-Rakbu 'Asfala Minkum ۚ Wa Law Tawā`adttum Lākhtalaftum Fī Al-Mī`ādi ۙ Wa Lakin Liyaqđiya Al-Lahu 'Amrāan Kāna Maf`ūlāan Liyahlika Man Halaka `An Bayyinatin Wa Yaĥyá Man Ĥayya `An Bayyinatin ۗ Wa 'Inna Al-Laha Lasamī`un `Alīmun  | [8.42] Toen gij op de nabijzijnde kant waart en zij zich op de andere zijde bevonden en de karavaan beneden u was; en indien gij een onderlinge afspraak hadt gemaakt, zoudt gij ten opzichte van die afspraak zeker (van mening) hebben verschild. Maar (dit gebeurde) zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand zou brengen, zodat hij die zou omkomen door een duidelijk teken zou sterven en dat hij die zou leven door een even duidelijk teken zou blijven leven. En voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend. | إِذْ أَنْتُمْ بِالْعُدْوَةِ الدُّنْيَا وَهُمْ بِالْعُدْوَةِ الْقُصْوَى وَالرَّكْبُ أَسْفَلَ مِنْكُمْ ۚ وَلَوْ تَوَاعَدتُّمْ لاَخْتَلَفْتُمْ فِي الْمِيعَادِ ۙ وَلَكِنْ لِيَقْضِيَ اللَّهُ أَمْرا ً كَانَ مَفْعُولا ً لِيَهْلِكَ مَنْ هَلَكَ عَنْ بَيِّنَة ٍ وَيَحْيَى مَنْ حَيَّ عَنْ بَيِّنَة ٍ ۗ وَإِنَّ اللَّهَ لَسَمِيعٌ عَلِيم ٌ |
'Idh Yurīkahumu Al-Lahu Fī Manāmika Qalīlāan ۖ Wa Law 'Arākahum Kathīrāan Lafashiltum Wa Latanāza`tum Fī Al-'Amri Wa Lakinna Al-Laha Sallama ۗ 'Innahu `Alīmun Bidhāti Aş-Şudūri  | [8.43] Gedenk de tijd toen Allah hen (de vijanden) in uw ogen als weinigen toonde; had Hij hen u als velen getoond, dan zoudt gij voorzeker hebben geweifeld en met elkander over de zaak getwist; maar Allah bewaarde u; voorzeker, Hij heeft volle kennis over hetgeen in het innerlijk is. | إِذْ يُرِيكَهُمُ اللَّهُ فِي مَنَامِكَ قَلِيلا ً ۖ وَلَوْ أَرَاكَهُمْ كَثِيرا ً لَفَشِلْتُمْ وَلَتَنَازَعْتُمْ فِي الأَمْرِ وَلَكِنَّ اللَّهَ سَلَّمَ ۗ إِنَّه ُُ عَلِيم ٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ |
Wa 'Idh Yurīkumūhum 'Idhi At-Taqaytum Fī 'A`yunikum Qalīlāan Wa Yuqallilukum Fī 'A`yunihim Liyaqđiya Al-Lahu 'Amrāan Kāna Maf`ūlāan ۗ Wa 'Ilá Al-Lahi Turja`u Al-'Umūru  | [8.44] En toen Hij hen in de tijd van uw ontmoeting als weinigen in uw ogen deed voorkomen en u als weinigen in hun ogen deed voorkomen, zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand mocht brengen. En tot Allah worden alle dingen teruggebracht. | وَإِذْ يُرِيكُمُوهُمْ إِذِ الْتَقَيْتُمْ فِي أَعْيُنِكُمْ قَلِيلا ً وَيُقَلِّلُكُمْ فِي أَعْيُنِهِمْ لِيَقْضِيَ اللَّهُ أَمْرا ً كَانَ مَفْعُولا ً ۗ وَإِلَى اللَّهِ تُرْجَعُ الأُمُورُ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'Idhā Laqītum Fi'atan Fāthbutū Wa Adhkurū Al-Laha Kathīrāan La`allakum Tufliĥūna  | [8.45] O, gij die gelooft, blijft standvastig wanneer gij een leger (van ongelovigen) ontmoet en gedenkt Allah vaak, opdat gij moogt slagen. | يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا لَقِيتُمْ فِئَة ً فَاثْبُتُوا وَاذْكُرُوا اللَّهَ كَثِيرا ً لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ |
Wa 'Aţī`ū Al-Laha Wa Rasūlahu Wa Lā Tanāza`ū Fatafshalū Wa Tadh/haba Rīĥukum ۖ Wa Aşbirū ۚ 'Inna Al-Laha Ma`a Aş-Şābirīna  | [8.46] En gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en redetwist niet met elkander, anders zult gij laf worden en uw kracht zal vergaan. En weest geduldig, voorzeker Allah is met de geduldigen. | وَأَطِيعُوا اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ وَلاَ تَنَازَعُوا فَتَفْشَلُوا وَتَذْهَبَ رِيحُكُمْ ۖ وَاصْبِرُوا ۚ إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ |
Wa Lā Takūnū Kālladhīna Kharajū Min Diyārihim Baţarāan Wa Ri'ā'a An-Nāsi Wa Yaşuddūna `An Sabīli Al-Lahi Wa ۚ Allāhu Bimā Ya`malūna Muĥīţun  | [8.47] En weest niet zoals degenen die pochend uit hun huizen kwamen om door de mensen te worden gezien en om anderen van het pad van Allah af te leiden; en Allah omvat al hetgeen zij doen. | وَلاَ تَكُونُوا كَالَّذِينَ خَرَجُوا مِنْ دِيَارِهِمْ بَطَرا ً وَرِئَاءَ النَّاسِ وَيَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ ۚ وَاللَّهُ بِمَا يَعْمَلُونَ مُحِيط ٌ |
Wa 'Idh Zayyana Lahumu Ash-Shayţānu 'A`mālahum Wa Qāla Lā Ghāliba Lakumu Al-Yawma Mina An-Nāsi Wa 'Innī Jārun Lakum ۖ Falammā Tarā'ati Al-Fi'atāni Nakaşa `Alá `Aqibayhi Wa Qāla 'Innī Barī'un Minkum 'Innī 'Ará Mā Lā Tarawna 'Inniyi 'Akhāfu Al-Laha Wa ۚ Allāhu Shadīdu Al-`Iqābi  | [8.48] Toen deed Satan hun hun daden schoon schijnen en zeide: "Niemand onder de mensen zal deze dag de overhand over u hebben want ik ben uw metgezel." Maar toen de twee legers elkander in het zicht kwamen, wendde hij zich af en zeide: "Voorzeker, ik heb niets met u uitstaande, waarlijk, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees Allah en Allah is streng in het straffen." | وَإِذْ زَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ وَقَالَ لاَ غَالِبَ لَكُمُ الْيَوْمَ مِنَ النَّاسِ وَإِنِّي جَار ٌ لَكُمْ ۖ فَلَمَّا تَرَاءَتِ الْفِئَتَانِ نَكَصَ عَلَى عَقِبَيْهِ وَقَالَ إِنِّي بَرِيء ٌ مِنْكُمْ إِنِّي أَرَى مَا لاَ تَرَوْنَ إِنِّيِ أَخَافُ اللَّهَ ۚ وَاللَّهُ شَدِيدُ الْعِقَابِ |
'Idh Yaqūlu Al-Munāfiqūna Wa Al-Ladhīna Fī Qulūbihim Marađun Gharra Hā'uulā' Dīnuhum ۗ Wa Man Yatawakkal `Alá Al-Lahi Fa'inna Al-Laha `Azīzun Ĥakīmun  | [8.49] Toen de huichelaars en degenen in wier hart een ziekte is, zeiden: "Hun (Moslims) geloof heeft dezen bedrogen." Maar wie zijn vertrouwen in Allah legt: voorzeker Allah is Almachtig, Alwijs. | إِذْ يَقُولُ الْمُنَافِقُونَ وَالَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ غَرَّ هَاؤُلاَء دِينُهُمْ ۗ وَمَنْ يَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ فَإِنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيم ٌ |
Wa Law Tará 'Idh Yatawaffá Al-Ladhīna Kafarū ۙ Al-Malā'ikatu Yađribūna Wujūhahum Wa 'Adbārahum Wa Dhūqū `Adhāba Al-Ĥarīqi  | [8.50] O, hadt gij het slechts kunnen zien, wanneer de engelen de ziel der ongelovigen wegnemen, hun gezicht en hun rug treffende: "Ondergaat de straf van het branden. | وَلَوْ تَرَى إِذْ يَتَوَفَّى الَّذِينَ كَفَرُوا ۙ الْمَلاَئِكَةُ يَضْرِبُونَ وُجُوهَهُمْ وَأَدْبَارَهُمْ وَذُوقُوا عَذَابَ الْحَرِيقِ |
Dhālika Bimā Qaddamat 'Aydīkum Wa 'Anna Al-Laha Laysa Bižallāmin Lil`abīdi  | [8.51] Dit komt door hetgeen uw handen hebben gewrocht; Allah is in het geheel niet onrechtvaardig voor Zijn dienaren." | ذَلِكَ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيكُمْ وَأَنَّ اللَّهَ لَيْسَ بِظَلاَّم ٍ لِلْعَبِيدِ |
Kada'bi 'Āli Fir`awna Wa ۙ Al-Ladhīna Min Qablihim ۚ Kafarū Bi'āyāti Al-Lahi Fa'akhadhahumu Al-Lahu Bidhunūbihim ۗ 'Inna Al-Laha Qawīyun Shadīdu Al-`Iqābi  | [8.52] Zoals het volk van Pharao en degenen die vََr hen waren; zij verwierpen de tekenen van Allah, daarom strafte Allah hen voor hun zonden. Voorzeker, Allah is Machtig, Streng in het straffen. | كَدَأْبِ آلِ فِرْعَوْنَ ۙ وَالَّذِينَ مِنْ قَبْلِهِمْ ۚ كَفَرُوا بِآيَاتِ اللَّهِ فَأَخَذَهُمُ اللَّهُ بِذُنُوبِهِمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ قَوِيّ ٌ شَدِيدُ الْعِقَابِ |
Dhālika Bi'anna Al-Laha Lam Yaku Mughayyirāan Ni`matan 'An`amahā `Alá Qawmin Ĥattá Yughayyirū Mā Bi'anfusihim ۙ Wa 'Anna Al-Laha Samī`un `Alīmun  | [8.53] Dit is omdat Allah nooit een gunst die Hij een volk heeft bewezen zal veranderen totdat zij, wat in hun hart is, veranderen. En voorzeker Allah is Alhorend, Alwetend. | ذَلِكَ بِأَنَّ اللَّهَ لَمْ يَكُ مُغَيِّرا ً نِعْمَةً أَنْعَمَهَا عَلَى قَوْمٍ حَتَّى يُغَيِّرُوا مَا بِأَنفُسِهِمْ ۙ وَأَنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيم ٌ |
Kada'bi 'Āli Fir`awna Wa ۙ Al-Ladhīna Min Qablihim ۚ Kadhdhabū Bi'āyāti Rabbihim Fa'ahlaknāhum Bidhunūbihim Wa 'Aghraqnā 'Āla Fir`awna ۚ Wa Kullun Kānū Žālimīna  | [8.54] Zoals het volk van Pharao en degenen, die vََr hen waren; zij verloochenden de tekenen van hun Heer daarom vernietigden Wij hen voor hun zonden. En Wij verdronken het volk van Pharao want zij waren allen onrechtvaardig. | كَدَأْبِ آلِ فِرْعَوْنَ ۙ وَالَّذِينَ مِنْ قَبْلِهِمْ ۚ كَذَّبُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ فَأَهْلَكْنَاهُمْ بِذُنُوبِهِمْ وَأَغْرَقْنَا آلَ فِرْعَوْنَ ۚ وَكُلّ ٌ كَانُوا ظَالِمِينَ |
'Inna Sharra Ad-Dawābbi `Inda Al-Lahi Al-Ladhīna Kafarū Fahum Lā Yu'uminūna  | [8.55] Voorzeker, in de ogen van Allah zijn zij, die (de waarheid) verwerpen erger dan beesten want zij willen niet geloven: | إِنَّ شَرَّ الدَّوَابِّ عِنْدَ اللَّهِ الَّذِينَ كَفَرُوا فَهُمْ لاَ يُؤْمِنُونَ |
Al-Ladhīna `Āhadta Minhum Thumma Yanquđūna `Ahdahum Fī Kulli Marratin Wa Hum Lā Yattaqūna  | [8.56] Degenen met wie gij een verbond sluit, daarna schenden zij dit verbond telkens weer en zij vrezen niet. | الَّذِينَ عَاهَدْتَ مِنْهُمْ ثُمَّ يَنقُضُونَ عَهْدَهُمْ فِي كُلِّ مَرَّة ٍ وَهُمْ لاَ يَتَّقُونَ |
Fa'immā Tathqafannahum Fī Al-Ĥarbi Fasharrid Bihim Man Khalfahum La`allahum Yadhdhakkarūna  | [8.57] Als gij hen in de oorlog ontmoet, jaagt dan degenen die achter hen zign vrees aan wegens hen, opdat zij er lering uit mogen trekken. | فَإِمَّا تَثْقَفَنَّهُمْ فِي الْحَرْبِ فَشَرِّدْ بِهِمْ مَنْ خَلْفَهُمْ لَعَلَّهُمْ يَذَّكَّرُونَ |
Wa 'Immā Takhāfanna Min Qawmin Khiyānatan Fānbidh 'Ilayhim `Alá Sawā'in ۚ 'Inna Al-Laha Lā Yuĥibbu Al-Khā'inīna  | [8.58] En als gij ontrouw van een volk vreest verstoot hen dan op gelijke wijze. Voorzeker, Allah heeft de ongelovigen niet lief. | وَإِمَّا تَخَافَنَّ مِنْ قَوْمٍ خِيَانَة ً فَانْبِذْ إِلَيْهِمْ عَلَى سَوَاء ٍ ۚ إِنَّ اللَّهَ لاَ يُحِبُّ الْخَائِنِينَ |
Wa Lā Yaĥsabanna Al-Ladhīna Kafarū Sabaqū ۚ 'Innahum Lā Yu`jizūna  | [8.59] En laat de ongelovigen niet denken dat zij een voorsprong hebben. Voorzeker, zij kunnen Ons niet ontkomen. | وَلاَ يَحْسَبَنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا سَبَقُوا ۚ إِنَّهُمْ لاَ يُعْجِزُونَ |
Wa 'A`iddū Lahum Mā Astaţa`tum Min Qūwatin Wa Min Ribāţi Al-Khayli Turhibūna Bihi `Adūwa Al-Lahi Wa `Adūwakum Wa 'Ākharīna Min Dūnihim Lā Ta`lamūnahumu Al-Lahu Ya`lamuhum ۚ Wa Mā Tunfiqū Min Shay'in Fī Sabīli Al-Lahi Yuwaffa 'Ilaykum Wa 'Antum Lā Tužlamūna  | [8.60] En maakt aan de grens alle mogelijke strijdkrachten en vastgehouden paarden voor hen gereed, waarmede gij de vijand van Allah en uw vijand en anderen buiten hen, die gij niet kent, doch die Allah kent, moogt afschrikken. En wat gij ook voor de zaak van Allah besteedt, het zal u ten volle worden terugbetaald en u zal geen onrecht worden aangedaan. | وَأَعِدُّوا لَهُمْ مَا اسْتَطَعْتُمْ مِنْ قُوَّة ٍ وَمِنْ رِبَاطِ الْخَيْلِ تُرْهِبُونَ بِه ِِ عَدُوَّ اللَّهِ وَعَدُوَّكُمْ وَآخَرِينَ مِنْ دُونِهِمْ لاَ تَعْلَمُونَهُمُ اللَّهُ يَعْلَمُهُمْ ۚ وَمَا تُنفِقُوا مِنْ شَيْء ٍ فِي سَبِيلِ اللَّهِ يُوَفَّ إِلَيْكُمْ وَأَنْتُمْ لاَ تُظْلَمُونَ |
Wa 'In Janaĥū Lilssalmi Fājnaĥ Lahā Wa Tawakkal `Alá Al-Lahi ۚ 'Innahu Huwa As-Samī`u Al-`Alīmu  | [8.61] En als zij tot vrede neigen, neigt u er dan ook toe en legt uw vertrouwen in Allah. Voorzeker Hij is Alhorend, Alwetend. | وَإِنْ جَنَحُوا لِلسَّلْمِ فَاجْنَحْ لَهَا وَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ ۚ إِنَّه ُُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ |
Wa 'In Yurīdū 'An Yakhda`ūka Fa'inna Ĥasbaka Al-Lahu ۚ Huwa Al-Ladhī 'Ayyadaka Binaşrihi Wa Bil-Mu'uminīna  | [8.62] En als zij u willen bedriegen is Allah voorzeker (als Helper) toereikend voor u. Hij is het, Die u heeft versterkt met Zijn hulp en met die der gelovigen, | وَإِنْ يُرِيدُوا أَنْ يَخْدَعُوكَ فَإِنَّ حَسْبَكَ اللَّهُ ۚ هُوَ الَّذِي أَيَّدَكَ بِنَصْرِه ِِ وَبِالْمُؤْمِنِينَ |
Wa 'Allafa Bayna Qulūbihim ۚ Law 'Anfaqta Mā Fī Al-'Arđi Jamī`āan Mā 'Allafta Bayna Qulūbihim Wa Lakinna Al-Laha 'Allafa Baynahum ۚ 'Innahu `Azīzun Ĥakīmun  | [8.63] en Hij heeft hun harten verenigd. Indien gij al hetgeen op aarde is had besteed, kondet gij hun harten niet hebben verzoend, maar Allah heeft hen verenigd. Voorzeker, Hij is Almachtig, Alwijs. | وَأَلَّفَ بَيْنَ قُلُوبِهِمْ ۚ لَوْ أَنفَقْتَ مَا فِي الأَرْضِ جَمِيعا ً مَا أَلَّفْتَ بَيْنَ قُلُوبِهِمْ وَلَكِنَّ اللَّهَ أَلَّفَ بَيْنَهُمْ ۚ إِنَّه ُُ عَزِيزٌ حَكِيم ٌ |
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Ĥasbuka Al-Lahu Wa Mani Attaba`aka Mina Al-Mu'uminīna  | [8.64] O profeet, Allah is toereikend voor u en voor diegenen der gelovigen die u volgen. | يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ حَسْبُكَ اللَّهُ وَمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ |
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Ĥarriđi Al-Mu'uminīna `Alá Al-Qitāli ۚ 'In Yakun Minkum `Ishrūna Şābirūna Yaghlibū Miā'atayni ۚ Wa 'In Yakun Minkum Miā'atun Yaghlibū 'Alfāan Mina Al-Ladhīna Kafarū Bi'annahum Qawmun Lā Yafqahūna  | [8.65] O profeet, spoor de gelovigen aan om te vechten. Als er twintig onder u zijn die stand houden, zullen zij tweehonderd overwinnen en als er honderd uwer zijn zullen zij duizend der ongelovigen verslaan, omdat zij een volk zijn dat niet wil begrijpen. | يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ حَرِّضِ الْمُؤْمِنِينَ عَلَى الْقِتَالِ ۚ إِنْ يَكُنْ مِنْكُمْ عِشْرُونَ صَابِرُونَ يَغْلِبُوا مِائَتَيْنِ ۚ وَإِنْ يَكُنْ مِنْكُمْ مِائَة ٌ يَغْلِبُوا أَلْفا ً مِنَ الَّذِينَ كَفَرُوا بِأَنَّهُمْ قَوْم ٌ لاَ يَفْقَهُونَ |
Al-'Āna Khaffafa Al-Lahu `Ankum Wa `Alima 'Anna Fīkum Đa`fāan ۚ Fa'in Yakun Minkum Miā'atun Şābiratun Yaghlibū Miā'atayni ۚ Wa 'In Yakun Minkum 'Alfun Yaghlibū 'Alfayni Bi'idhni Al-Lahi Wa ۗ Allāhu Ma`a Aş-Şābirīna  | [8.66] Maar nu heeft Allah uw last verlicht, want Hij weet dat er zwakheid in u is. Als er daarom honderd uwer zijn die standvastig zijn, zullen zij tweehonderd overweldigen en als er duizend uwer zijn zullen zij door het gebod van Allah twee duizend overwinnen. En Allah is met degenen die standvastig zijn. | الآنَ خَفَّفَ اللَّهُ عَنكُمْ وَعَلِمَ أَنَّ فِيكُمْ ضَعْفا ً ۚ فَإِنْ يَكُنْ مِنْكُمْ مِائَة ٌ صَابِرَة ٌ يَغْلِبُوا مِائَتَيْنِ ۚ وَإِنْ يَكُنْ مِنْكُمْ أَلْف ٌ يَغْلِبُوا أَلْفَيْنِ بِإِذْنِ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ مَعَ الصَّابِرِينَ |
Mā Kāna Linabīyin 'An Yakūna Lahu 'Asrá Ĥattá Yuthkhina Fī Al-'Arđi ۚ Turīdūna `Arađa Ad-Dunyā Wa Allāhu Yurīdu Al-'Ākhirata Wa ۗ Allāhu `Azīzun Ĥakīmun  | [8.67] Een profeet kan geen gevangenen maken voordat hij tot geregeld vechten in het land komt. Gij wenst de goederen van deze wereld terwijl Allah het Hiernamaals voor u wenst. En Allah is Almachtig, Alwijs. | مَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَنْ يَكُونَ لَهُ~ُ أَسْرَى حَتَّى يُثْخِنَ فِي الأَرْضِ ۚ تُرِيدُونَ عَرَضَ الدُّنْيَا وَاللَّهُ يُرِيدُ الآخِرَةَ ۗ وَاللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيم ٌ |
Lawlā Kitābun Mina Al-Lahi Sabaqa Lamassakum Fīmā 'Akhadhtum `Adhābun `Ažīmun  | [8.68] En indien er geen gebod van Allah was geweest zou u voorzeker een grote rampspoed zijn overkomen voor hetgeen gij naamt. | لَوْلاَ كِتَاب ٌ مِنَ اللَّهِ سَبَقَ لَمَسَّكُمْ فِيمَا أَخَذْتُمْ عَذَابٌ عَظِيم ٌ |
Fakulū Mimmā Ghanimtum Ĥalālāan Ţayyibāan ۚ Wa Attaqū Al-Laha ۚ 'Inna Al-Laha Ghafūrun Raĥīmun  | [8.69] Eet van de buit die gij ontvangt als wettig en goed en vreest Allah. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol. | فَكُلُوا مِمَّا غَنِمْتُمْ حَلالا ً طَيِّبا ً ۚ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۚ إِنَّ اللَّهَ غَفُور ٌ رَحِيم ٌ |
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Qul Liman Fī 'Aydīkum Mina Al-'Asrá 'In Ya`lami Al-Lahu Fī Qulūbikum Khayrāan Yu'utikum Khayrāan Mimmā 'Ukhidha Minkum Wa Yaghfir Lakum Wa ۗ Allāhu Ghafūrun Raĥīmun  | [8.70] O profeet, zeg tot de gevangenen die in uw handen zijn: "Als Allah enig goed in uw hart vindt, zal Hij u beter geven dan hetgeen van u is weggenomen en zal Hij u vergeven". Allah is Vergevensgezind, Genadevol. | يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ قُلْ لِمَنْ فِي أَيْدِيكُمْ مِنَ الأَسْرَى إِنْ يَعْلَمِ اللَّهُ فِي قُلُوبِكُمْ خَيْرا ً يُؤْتِكُمْ خَيْرا ً مِمَّا أُخِذَ مِنْكُمْ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ۗ وَاللَّهُ غَفُور ٌ رَحِيم ٌ |
Wa 'In Yurīdū Khiyānataka Faqad Khānū Al-Laha Min Qablu Fa'amkana Minhum Wa ۗ Allāhu `Alīmun Ĥakīmun  | [8.71] Maar als zij voornemens zijn u ontrouw te worden, zijn zij reeds voorheen Allah ontrouw geweest, daarom gaf Hij u macht over hen. Allah is Alwetend, Alwijs. | وَإِنْ يُرِيدُوا خِيَانَتَكَ فَقَدْ خَانُوا اللَّهَ مِنْ قَبْلُ فَأَمْكَنَ مِنْهُمْ ۗ وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيم ٌ |
'Inna Al-Ladhīna 'Āmanū Wa Hājarū Wa Jāhadū Bi'amwālihim Wa 'Anfusihim Fī Sabīli Al-Lahi Wa Al-Ladhīna 'Āwaw Wa Naşarū 'Ūlā'ika Ba`đuhum 'Awliyā'u Ba`đin Wa ۚ Al-Ladhīna 'Āmanū Wa Lam Yuhājarū Mā Lakum Min Walāyatihim Min Shay'in Ĥattá Yuhājirū ۚ Wa 'Ini Astanşarūkum Fī Ad-Dīni Fa`alaykumu An-Naşru 'Illā `Alá Qawmin Baynakum Wa Baynahum Mīthāqun Wa ۗ Allāhu Bimā Ta`malūna Başīrun  | [8.72] Voorzeker, degenen die hebben geloofd en hun huizen verlieten en met hun bezittingen en hun persoon voor de zaak van Allah hebben gestreden en degenen die schuilplaats verstrekten en hielpen, zijn vrienden van elkander. Maar degenen die geloven en die hun huizen niet verlieten, gij zijt in het geheel niet verantwoordelijk voor hun bescherming tenzij zij hun huizen verlaten. Maar als zij hulp inzake het geloof zoeken dan is het uw plicht hen te helpen behalve tegen een volk, met hetwelk gij een verbond hebt. Allah ziet, wat gij doet. | إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَهَاجَرُوا وَجَاهَدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَالَّذِينَ آوَوا وَنَصَرُوا أُوْلَائِكَ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْض ٍ ۚ وَالَّذِينَ آمَنُوا وَلَمْ يُهَاجَرُوا مَا لَكُمْ مِنْ وَلاَيَتِهِمْ مِنْ شَيْءٍ حَتَّى يُهَاجِرُوا ۚ وَإِنِ اسْتَنصَرُوكُمْ فِي الدِّينِ فَعَلَيْكُمُ النَّصْرُ إِلاَّ عَلَى قَوْم ٍ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُمْ مِيثَاق ٌ ۗ وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِير ٌ |
Wa Al-Ladhīna Kafarū Ba`đuhum 'Awliyā'u ۚ Ba`đin 'Illā Taf`alūhu Takun Fitnatun Fī Al-'Arđi Wa Fasādun Kabīrun  | [8.73] De ongelovigen zijn vrienden van elkander. Als gij niet ingrijpt zal er onheil en grote wanorde in het land komen. | وَالَّذِينَ كَفَرُوا بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْض ٍ ۚ إِلاَّ تَفْعَلُوه ُُ تَكُنْ فِتْنَة ٌ فِي الأَرْضِ وَفَسَاد ٌ كَبِير ٌ |
Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Wa Hājarū Wa Jāhadū Fī Sabīli Al-Lahi Wa Al-Ladhīna 'Āwaw Wa Naşarū 'Ūlā'ika Humu Al-Mu'uminūna ۚ Ĥaqqāan Lahum Maghfiratun Wa Rizqun Karīmun  | [8.74] En degenen die geloven en hun huizen verlaten en die streden voor de zaak van Allah en degenen die hun schuilplaats verstrekken en hen helpen zijn de ware gelovigen. Er is voor hen vergiffenis en een waardige voorziening. | وَالَّذِينَ آمَنُوا وَهَاجَرُوا وَجَاهَدُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَالَّذِينَ آوَوا وَنَصَرُوا أُوْلَائِكَ هُمُ الْمُؤْمِنُونَ حَقّا ً ۚ لَهُمْ مَغْفِرَة ٌ وَرِزْق ٌ كَرِيم ٌ |
Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Min Ba`du Wa Hājarū Wa Jāhadū Ma`akum Fa'ūlā'ika ۚ Minkum Wa 'Ūlū Al-'Arĥāmi Ba`đuhum 'Awlá Biba`đin Fī Kitābi ۗ Al-Lahi 'Inna Al-Laha Bikulli Shay'in `Alīmun  | [8.75] En degenen die naderhand zullen geloven en hun huizen verlaten en tezamen met u strijden, zullen tot u behoren; en bloedverwanten staan nader tot elkander in het Boek van Allah. Voorzeker, Allah is de Oerkenner van alle dingen. | وَالَّذِينَ آمَنُوا مِنْ بَعْدُ وَهَاجَرُوا وَجَاهَدُوا مَعَكُمْ فَأُوْلَائِكَ مِنْكُمْ ۚ وَأُوْلُوا الأَرْحَامِ بَعْضُهُمْ أَوْلَى بِبَعْض ٍ فِي كِتَابِ اللَّهِ ۗ إِنَّ اللَّهَ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيم ٌ |