33) Sūrat Al-'Aĥzāb

Printed format

33) سُورَة الأَحزَاب

Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Attaqi Al-Laha Wa Lā Tuţi`i Al-Kāfirīna Wa Al-Munāfiqīna 'Inna Al-Laha Kāna `Alīmāan Ĥakīmāan [33.1] O Profeet, zoek bescherming bij Allah en gehoorzaam de ongelovigen en de huichelaars niet. Allah is Alwetend, Alwijs. يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ اتَّقِ اللَّهَ وَلاَ تُطِعِ الْكَافِرِينَ وَالْمُنَافِقِينَ إِنَّ اللَّهَ كَانَ عَلِيماً حَكِيما ً
Wa Attabi` Mā Yūĥá 'Ilayka Min Rabbika  ۚ  'Inna Al-Laha Kāna Bimā Ta`malūna Khabīrāan [33.2] Volg hetgeen u is geopenbaard van uw Heer. Voorwaar, Allah is goed op de hoogte van alles wat gij doet. وَاتَّبِعْ مَا يُوحَى إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ  ۚ  إِنَّ اللَّهَ كَانَ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرا ً
Wa Tawakkal `Alá Al-Lahi  ۚ  Wa Kafá Bil-Lahi Wa Kīlāan [33.3] En stel uw vertrouwen in Allah, want Allah is als beschermer voldoende. وَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ  ۚ  وَكَفَى بِاللَّهِ وَكِيلا ً
Mā Ja`ala Al-Lahu Lirajulin Min Qalbayni Fī Jawfihi  ۚ  Wa Mā Ja`ala 'Azwājakumu Al-Lā'ī Tužāhirūna Minhunna 'Ummahātikum  ۚ  Wa Mā Ja`ala 'Ad`iyā'akum 'Abnā'akum  ۚ  Dhālikum Qawlukum Bi'afwāhikum Wa  ۖ  Allāhu Yaqūlu Al-Ĥaqqa Wa Huwa Yahdī As-Sabīla [33.4] Allah heeft voor geen man twee harten in zijn binnenste gemaakt, noch heeft Hij uw vrouwen van wie gij wegblijft door haar moeder te noemen, tot uw moeders gemaakt, noch heeft Hij uw aangenomen zonen tot uw (werkelijke) zonen gemaakt. Dat is slechts een woord dat men uit, maar Allah spreekt de waarheid, en Hij wijst de weg. مَا جَعَلَ اللَّهُ لِرَجُل ٍ مِنْ قَلْبَيْنِ فِي جَوْفِه ِِ  ۚ  وَمَا جَعَلَ أَزْوَاجَكُمُ اللاَّئِي تُظَاهِرُونَ مِنْهُنَّ أُمَّهَاتِكُمْ  ۚ  وَمَا جَعَلَ أَدْعِيَاءَكُمْ أَبْنَاءَكُمْ  ۚ  ذَلِكُمْ قَوْلُكُمْ بِأَفْوَاهِكُمْ  ۖ  وَاللَّهُ يَقُولُ الْحَقَّ وَهُوَ يَهْدِي السَّبِيلَ
Ad`ūhum Li'abā'ihim Huwa 'Aqsaţu `Inda Al-Lahi  ۚ  Fa'in Lam Ta`lamū 'Ābā'ahum Fa'ikhwānukum Ad-Dīni Wa Mawālīkum  ۚ  Wa Laysa `Alaykum Junāĥun Fīmā 'Akhţa'tum Bihi Wa Lakin Mā Ta`ammadat Qulūbukum  ۚ  Wa Kāna Al-Lahu Ghafūrāan Raĥīmāan [33.5] Noemt hen bij hun vaders naam dat is billijker in de ogen van Allah. Maar als gij hun vader niet kent, dan zijn zij uw broeders in het geloof en uw vrienden, en er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. Allah is Vergevensgezind, Genadevol. ادْعُوهُمْ لِأَبَائِهِمْ هُوَ أَقْسَطُ عِنْدَ اللَّهِ  ۚ  فَإِنْ لَمْ تَعْلَمُوا آبَاءَهُمْ فَإِخْوَانُكُمْ فِي الدِّينِ وَمَوَالِيكُمْ  ۚ  وَلَيْسَ عَلَيْكُمْ جُنَاح ٌ فِيمَا أَخْطَأْتُمْ بِه ِِ وَلَكِنْ مَا تَعَمَّدَتْ قُلُوبُكُمْ  ۚ  وَكَانَ اللَّهُ غَفُورا ً رَحِيما ً
An-Nabīyu 'Awlá Bil-Mu'uminīna Min 'Anfusihim  ۖ  Wa 'Azwājuhu 'Ummahātuhum  ۗ  Wa 'Ū Al-'Arĥāmi Ba`đuhum 'Awlá Biba`đin Fī Kitābi Al-Lahi Mina Al-Mu'uminīna Wa Al-Muhājirīna 'Illā 'An Taf`alū 'Ilá 'Awliyā'ikum Ma`rūfāan  ۚ  Kāna Dhālika Fī Al-Kitābi Masţūrāan [33.6] De Profeet is dichter bij de gelovigen dan zij zelven, en zijn vrouwen zijn hun moeders. En bloedverwanten zijn nader bij elkander volgens het Boek van Allah, dan de gelovigen en de Mohadjirien tenzij gij uw vrienden een gunst bewijst. Dit is in het Boek neergeschreven. النَّبِيُّ أَوْلَى بِالْمُؤْمِنِينَ مِنْ أَنْفُسِهِمْ  ۖ  وَأَزْوَاجُهُ~ُ أُمَّهَاتُهُمْ  ۗ  وَأُوْلُو الأَرْحَامِ بَعْضُهُمْ أَوْلَى بِبَعْض ٍ فِي كِتَابِ اللَّهِ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ وَالْمُهَاجِرِينَ إِلاَّ أَنْ تَفْعَلُوا إِلَى أَوْلِيَائِكُمْ مَعْرُوفا ً  ۚ  كَانَ ذَلِكَ فِي الْكِتَابِ مَسْطُورا ً
Wa 'Idh 'Akhadhnā Mina An-Nabīyīna Mīthāqahum Wa Minka Wa Min Nūĥin Wa 'Ibrāhīma Wa Mūsá Wa `Īsá Abni Maryama  ۖ  Wa 'Akhadhnā Minhumthāqāan Ghalīžāan [33.7] En toen Wij met de profeten een verbond sloten: met u, met Noach, Abraham, Mozes, en Jezus de zoon van Maria, sloten wij een hecht verbond. وَإِذْ أَخَذْنَا مِنَ النَّبِيِّينَ مِيثَاقَهُمْ وَمِنْكَ وَمِنْ نُوح ٍ وَإِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى وَعِيسَى ابْنِ مَرْيَمَ  ۖ  وَأَخَذْنَا مِنْهُمْ مِيثَاقاً غَلِيظا ً
Liyas'ala Aş-Şādiqīna `An Şidqihim  ۚ  Wa 'A`adda Lilkāfirīna `Adhābāan 'Alīmāan [33.8] Opdat Hij de waarachtigen over hun waarachtigheid moge ondervragen. En voor de ongelovigen heeft Hij een pijnlijke straf bereid. لِيَسْأَلَ الصَّادِقِينَ عَنْ صِدْقِهِمْ  ۚ  وَأَعَدَّ لِلْكَافِرِينَ عَذَاباً أَلِيما ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Adhkurū Ni`mata Al-Lahi `Alaykum 'Idh Jā'atkum Junūdun Fa'arsalnā `Alayhim Rīĥāan Wa Junūdāan Lam Tarawhā  ۚ  Wa Kāna Al-Lahu Bimā Ta`malūna Başīrāan [33.9] O, gij die gelooft, herinnert u Allah's gunst, aan u bewezen, toen er legers tegen u opkwamen en Wij tegen hen een wind zonden en legers die gij niet zaagt. En Allah ziet wat gij doet. يَاأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ جَاءَتْكُمْ جُنُود ٌ فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحا ً وَجُنُودا ً لَمْ تَرَوْهَا وَكَانَ  ۚ  اللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرا ً
'Idh Jā'ūkum Min Fawqikum Wa Min 'Asfala Minkum Wa 'Idhghati Al-'Abşāru Wa Balaghati Al-Qulūbu Al-Ĥanājira Wa Tažunnūna Bil-Lahi Až-Žunūna [33.10] Toen zij over u kwamen van boven en van beneden, en toen uw ogen staarden en het hart in de keel klopte, en gij over Allah allerlei gedachten koesterdet. إِذْ جَاءُوكُمْ مِنْ فَوْقِكُمْ وَمِنْ أَسْفَلَ مِنْكُمْ وَإِذْ زَاغَتِ الأَبْصَارُ وَبَلَغَتِ الْقُلُوبُ الْحَنَاجِرَ وَتَظُنُّونَ بِاللَّهِ الظُّنُونَ
Hunālika Abtuliya Al-Mu'uminūna Wa Zulzilū Zilzālāan Shadīdāan [33.11] Toen werden de gelovigen beproefd en zij werden hevig geschokt. هُنَالِكَ ابْتُلِيَ الْمُؤْمِنُونَ وَزُلْزِلُوا زِلْزَالا ً شَدِيدا ً
Wa 'Idh Yaqūlu Al-Munāfiqūna Wa Al-Ladhīna Fī Qulūbihim Marađun Mā Wa`adanā Al-Lahu Wa Rasūluhu 'Illā Ghurūrāan [33.12] En toen de huichelaars en zij in wier hart een ziekte is, zeiden: "Wat Allah en Zijn boodschapper ons beloofden was slechts bedrog." وَإِذْ يَقُولُ الْمُنَافِقُونَ وَالَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَض ٌ مَا وَعَدَنَا اللَّهُ وَرَسُولُهُ~ُ إِلاَّ غُرُورا ً
Wa 'Idh Qālat Ţā'ifatun Minhum Yā 'Ahla Yathriba Lā Muqāma Lakum Fārji`ū  ۚ  Wa Yasta'dhinu Farīqun Minhumu An-Nabīya Yaqūlūna 'Inna Buyūtanā `Awratun Wa Mā Hiya Bi`awratin  ۖ  'In Yurīdūna 'Illā Firārāan [33.13] En toen een gedeelte van hen zei: "O volk van Jasrab (Madinah), gij kunt hier geen stand houden, keert daarom terug." En een gedeelte vroeg zelfs om toestemming van de Profeet, zeggende: "Onze huizen staan aan de vijand bloot." Deze waren echter niet blootgesteld, zij wensten slechts te vluchten. وَإِذْ قَالَتْ طَائِفَة ٌ مِنْهُمْ يَاأَهْلَ يَثْرِبَ لاَ مُقَامَ لَكُمْ فَارْجِعُوا وَيَسْتَأْذِنُ  ۚ  فَرِيق ٌ مِنْهُمُ النَّبِيَّ يَقُولُونَ إِنَّ بُيُوتَنَا عَوْرَة ٌ وَمَا هِيَ بِعَوْرَة ٍ إِنْ  ۖ  يُرِيدُونَ إِلاَّ فِرَارا ً
Wa Law Dukhilat `Alayhim Min 'Aqţārihā Thumma Su'ilū Al-Fitnata La'ātawhā Wa Mā Talabbathū Bihā 'Illā Yasīrāan [33.14] Als men uit de omgeving bij hen zou binnendringen en hun zou worden gevraagd, onlusten te veroorzaken, zouden zij dat terstond hebben gedaan en zij zoudlen slechts weinig hebben getalmd. وَلَوْ دُخِلَتْ عَلَيْهِمْ مِنْ أَقْطَارِهَا ثُمَّ سُئِلُوا الْفِتْنَةَ لَآتَوْهَا وَمَا تَلَبَّثُوا بِهَا إِلاَّ يَسِيرا ً
Wa Laqad Kānū `Āhadū Al-Laha Min Qablu Lā Yuwallūna Al-'Adbāra  ۚ  Wa Kāna `Ahdu Al-Lahi Mas'ūan [33.15] Waarlijk, zij hadden reeds vroeger een verbond gesloten dat zij hun rug niet zouden tonen. En er zal (hun) gevraagd worden over Allah's verbond. وَلَقَدْ كَانُوا عَاهَدُوا اللَّهَ مِنْ قَبْلُ لاَ يُوَلُّونَ الأَدْبَارَ  ۚ  وَكَانَ عَهْدُ اللَّهِ مَسْئُولا ً
Qul Lan Yanfa`akumu Al-Firāru 'In Farartum Mina Al-Mawti 'Awi Al-Qatli Wa 'Idhāan Lā Tumatta`ūna 'Illā Qalīlāan [33.16] Zeg: "Vlucht zal u stellig geen voordeel brengen als gij voor de dood of voor het gevecht vlucht; slechts korte tijd zult gij genieten." قُلْ لَنْ يَنْفَعَكُمُ الْفِرَارُ إِنْ فَرَرْتُمْ مِنَ الْمَوْتِ أَوِ الْقَتْلِ وَإِذا ً لاَ تُمَتَّعُونَ إِلاَّ قَلِيلا ً
Qul Man Dhā Al-Ladhī Ya`şimukum Mina Al-Lahi 'In 'Arāda Bikum Sū'āan 'Aw 'Arāda Bikum Raĥmatan  ۚ  Wa Lā Yajidūna Lahum Min Dūni Al-Lahi Walīyāan Wa Lā Naşīrāan [33.17] Zeg: "Wie is het, die u tegen Allah kan beschermen indien Hij u met kwaad wil treffen of barmhartigheid betonen? En zij zullen voor zich buiten Allah vriend noch helper vinden." قُلْ مَنْ ذَا الَّذِي يَعْصِمُكُمْ مِنَ اللَّهِ إِنْ أَرَادَ بِكُمْ سُوءاً أَوْ أَرَادَ بِكُمْ رَحْمَة ً  ۚ  وَلاَ يَجِدُونَ لَهُمْ مِنْ دُونِ اللَّهِ وَلِيّا ً وَلاَ نَصِيرا ً
Qad Ya`lamu Al-Lahu Al-Mu`awwiqīna Minkum Wa Al-Qā'ilīna Li'ikhwānihim Halumma 'Ilaynā  ۖ  Wa Lā Ya'tūna Al-Ba'sa 'Illā Qalīlāan [33.18] Allah kent degenen onder u die de mensen tegenhouden, en hen, die tegen hun broeders zeggen: "Komt naar ons toe," en die zich weinig met de oorlog bemoeien. قَدْ يَعْلَمُ اللَّهُ الْمُعَوِّقِينَ مِنْكُمْ وَالْقَائِلِينَ لِإخْوَانِهِمْ هَلُمَّ إِلَيْنَا  ۖ  وَلاَ يَأْتُونَ الْبَأْسَ إِلاَّ قَلِيلا ً
'Ashiĥĥatan `Alaykum  ۖ  Fa'idhā Jā'a Al-Khawfu Ra'aytahum Yanžurūna 'Ilayka Tadūru 'A`yunuhum Kālladhī Yughshá `Alayhi Mina Al-Mawti  ۖ  Fa'idhā Dhahaba Al-Khawfu Salaqūkum Bi'alsinatin Ĥidādin 'Ashiĥĥatan `Alá Al-Khayri  ۚ  'Ūlā'ika Lam Yu'uminū Fa'aĥbaţa Al-Lahu 'A`mālahum  ۚ  Wa Kāna Dhālika `Alá Al-Lahi Yasīrāan [33.19] Zij zijn terughoudend in hun hulp voor u. Maar als het gevaar komt, ziet gij hen naar u kijken met rollende ogen als van iemand die bezwijmt bij de doodsstrijd. En als de vrees is weggevaagd, treffen zij u met hun scherpe tong door hun zucht naar rijkdommen. Zulken hebben niet oprecht geloofd; daarom heeft Allah hun werken vruchteloos gemaakt. Dit is gemakkelijk voor Allah. أَشِحَّةً عَلَيْكُمْ  ۖ  فَإِذَا جَاءَ الْخَوْفُ رَأَيْتَهُمْ يَنْظُرُونَ إِلَيْكَ تَدُورُ أَعْيُنُهُمْ كَالَّذِي يُغْشَى عَلَيْهِ مِنَ الْمَوْتِ  ۖ  فَإِذَا ذَهَبَ الْخَوْفُ سَلَقُوكُمْ بِأَلْسِنَةٍ حِدَادٍ أَشِحَّةً عَلَى الْخَيْرِ  ۚ  أُوْلَائِكَ لَمْ يُؤْمِنُوا فَأَحْبَطَ اللَّهُ أَعْمَالَهُمْ  ۚ  وَكَانَ ذَلِكَ عَلَى اللَّهِ يَسِيرا ً
Yaĥsabūna Al-'Aĥzāba Lam Yadh/habū  ۖ  Wa 'In Ya'ti Al-'Aĥzābu Yawaddū Law 'Annahum Bādūna Fī Al-'A`rābi Yas'alūna `An 'Anbā'ikum  ۖ  Wa Law Kānū Fīkum Mā Qātalū 'Illā Qalīlāan [33.20] Zij denken, dat de bondgenoten niet zijn vertrokken; en als de bondgenoten zouden wederkomen, zouden zij gaarne onder de zwervende Arabieren in de woestijn willen zijn, nieuws over u vragende. En als zij onder u waren, zouden zij weinig vechten. يَحْسَبُونَ الأَحْزَابَ لَمْ يَذْهَبُوا  ۖ  وَإِنْ يَأْتِ الأَحْزَابُ يَوَدُّوا لَوْ أَنَّهُمْ بَادُونَ فِي الأَعْرَابِ يَسْأَلُونَ عَنْ أَنْبَائِكُمْ  ۖ  وَلَوْ كَانُوا فِيكُمْ مَا قَاتَلُوا إِلاَّ قَلِيلا ً
Laqad Kāna Lakum Fī Rasūli Al-Lahi 'Uswatun Ĥasanatun Liman Kāna Yarjū Al-Laha Wa Al-Yawma Al-'Ākhira Wa Dhakara Al-Laha Kathīrāan [33.21] Voorwaar, gij hebt in de Profeet van Allah een prachtig voorbeeld voor ieder die Allah en de laatste Dag vreest, en die Allah vaak herdenkt. لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللَّهِ أُسْوَةٌ حَسَنَة ٌ لِمَنْ كَانَ يَرْجُو اللَّهَ وَالْيَوْمَ الآخِرَ وَذَكَرَ اللَّهَ كَثِيرا ً
Wa Lammā Ra'á Al-Mu'uminūna Al-'Aĥzāba Qālū Hādhā Mā Wa`adanā Al-Lahu Wa Rasūluhu Wa Şadaqa Al-Lahu Wa Rasūluhu  ۚ  Wa Mā Zādahum 'Illā 'Īmānāan Wa Taslīmāan [33.22] En toen de gelovigen de scharen zagen, zeiden zij: "Dit is wat Allah en Zijn boodschapper ons beloofden; en Allah en Zijn boodschapper spraken de waarheid." En dit vermeerderde slechts hun geloof en deed hun onderwerping toenemen. وَلَمَّا رَأَى الْمُؤْمِنُونَ الأَحْزَابَ قَالُوا هَذَا مَا وَعَدَنَا اللَّهُ وَرَسُولُه ُُ وَصَدَقَ اللَّهُ وَرَسُولُه ُُ  ۚ  وَمَا زَادَهُمْ إِلاَّ إِيمَانا ً وَتَسْلِيما ً
Mina Al-Mu'uminīna Rijālun Şadaqū Mā `Āhadū Al-Laha `Alayhi  ۖ  Faminhum Man Qađá Naĥbahu Wa Minhum Man Yantažiru  ۖ  Wa Mā Baddalū Tabdīlāan [33.23] Er zijn mensen onder de gelovigen die trouw gebleven zijn aan het verbond dat zij met Allah hebben gesloten. Er zijn enigen onder hen die hun eed hebben gehouden, en anderen die nog wachten en geenszins veranderd zijn; مِنَ الْمُؤْمِنِينَ رِجَال ٌ صَدَقُوا مَا عَاهَدُوا اللَّهَ عَلَيْهِ  ۖ  فَمِنْهُمْ مَنْ قَضَى نَحْبَه ُُ وَمِنْهُمْ مَنْ يَنْتَظِرُ  ۖ  وَمَا بَدَّلُوا تَبْدِيلا ً
Liyajziya Al-Lahu Aş-Şādiqīna Bişidqihim Wa Yu`adhdhiba Al-Munāfiqīna 'In Shā'a 'Aw Yatūba `Alayhim  ۚ  'Inna Al-Laha Kāna Ghafūrāan Raĥīmāan [33.24] Zodat Allah de waarachtigen voor hun oprechtheid moge belonen en de huichelaars straffen zoals Hij wil, of Zich tot hen in barmhartigheid wenden. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol. لِيَجْزِيَ اللَّهُ الصَّادِقِينَ بِصِدْقِهِمْ وَيُعَذِّبَ الْمُنَافِقِينَ إِنْ شَاءَ أَوْ يَتُوبَ عَلَيْهِمْ  ۚ  إِنَّ اللَّهَ كَانَ غَفُورا ً رَحِيما ً
Waradda Al-Lahu Al-Ladhīna Kafarū Bighayžihim Lam Yanālū Khayrāan  ۚ  Wa Kafá Al-Lahu Al-Mu'uminīna Al-Qitāla  ۚ  Wa Kāna Al-Lahu Qawīyāan `Azīzāan [33.25] Allah weerhield de ongelovigen in hun woede; zij verwierven geen voordeel. En Allah was toereikend (als Beschermer) voor de gelovigen in de slag. Allah is Sterk, Almachtig. وَرَدَّ اللَّهُ الَّذِينَ كَفَرُوا بِغَيْظِهِمْ لَمْ يَنَالُوا خَيْرا ً  ۚ  وَكَفَى اللَّهُ الْمُؤْمِنِينَ الْقِتَالَ  ۚ  وَكَانَ اللَّهُ قَوِيّاً عَزِيزا ً
Wa 'Anzala Al-Ladhīna Žāharūhum Min 'Ahli Al-Kitābi Min Şayāşīhim Wa Qadhafa Fī Qulūbihimu Ar-Ru`ba Farīqāan Taqtulūna Wa Ta'sirūna Farīqāan [33.26] En Hij deed de mensen van het Boek die hen (de vijand) hielpen uit hun vestingen komen en vervulde hun hart met ontzetting. Gij dooddet sommigen en gij naamt anderen gevangen. وَأَنْزَلَ الَّذِينَ ظَاهَرُوهُمْ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ مِنْ صَيَاصِيهِمْ وَقَذَفَ فِي قُلُوبِهِمُ الرُّعْبَ فَرِيقا ً تَقْتُلُونَ وَتَأْسِرُونَ فَرِيقا ً
Wa 'Awrathakum 'Arđahum Wa Diyārahum Wa 'Amwālahum Wa 'Arđāan Lam Taţa'ūhā  ۚ  Wa Kāna Al-Lahu `Alá Kulli Shay'in Qadīrāan [33.27] En Hij deed u hun land, huizen en hun rijkdommen erven en ook een land waarop gij nog nooit een voet had gezet. Allah heeft macht over alle dingen. وَأَوْرَثَكُمْ أَرْضَهُمْ وَدِيَارَهُمْ وَأَمْوَالَهُمْ وَأَرْضا ً لَمْ تَطَئُوهَا  ۚ  وَكَانَ اللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ قَدِيرا ً
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Qul Li'zwājika 'In Kuntunna Turidna Al-Ĥayā Ata Ad-Dunyā Wa Zīnatahā Fata`ālayna 'Umatti`kunna Wa 'Usarriĥkunna Sarāĥāan Jamīlāan [33.28] O profeet! Zeg aan uw vrouwen, "Als gij het leven dezer wereld en zijn luister wenst, komt dan, ik zal u een geschenk geven en u op een grootmoedige manier vrij laten. يَاأَيُّهَا النَّبِيُّ قُلْ لِأزْوَاجِكَ إِنْ كُنْتُنَّ تُرِدْنَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا وَزِينَتَهَا فَتَعَالَيْنَ أُمَتِّعْكُنَّ وَأُسَرِّحْكُنَّ سَرَاحا ً جَمِيلا ً
Wa 'In Kuntunna Turidna Al-Laha Wa Rasūlahu Wa Ad-Dāra Al-'Ākhirata Fa'inna Al-Laha 'A`adda Lilmuĥsināti Minkunna 'Ajrāan `Ažīmāan [33.29] Maar indien gij Allah en Zijn boodschapper en het tehuis van het Hiernamaals wenst, dan heeft Allah waarlijk voor degenen onder u die goed doen, een grote beloning." وَإِنْ كُنْتُنَّ تُرِدْنَ اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ وَالدَّارَ الآخِرَةَ فَإِنَّ اللَّهَ أَعَدَّ لِلْمُحْسِنَاتِ مِنْكُنَّ أَجْراً عَظِيما ً
Yā Nisā'a An-Nabīyi Man Ya'ti Minkunna Bifāĥishatin Mubayyinatin Yuđā`af Lahā Al-`Adhābu Đi`fayni  ۚ  Wa Kāna Dhālika `Alá Al-Lahi Yasīrāan [33.30] O vrouwen van de profeet! Als iemand onder u schuldig is aan een openbaar onbetamelijk gedrag zal haar straf worden verdubbeld. En dit is gemakkelijk voor Allah. يَانِسَاءَ النَّبِيِّ مَنْ يَأْتِ مِنْكُنَّ بِفَاحِشَة ٍ مُبَيِّنَة ٍ يُضَاعَفْ لَهَا الْعَذَابُ ضِعْفَيْنِ وَكَانَ  ۚ  ذَلِكَ عَلَى اللَّهِ يَسِيرا ً
Wa Man Yaqnut Minkunna Lillahi Wa Rasūlihi Wa Ta`mal Şāliĥāan Nu'utihā 'Ajrahā Marratayni Wa 'A`tadnā Lahā Rizqāan Karīmāan [33.31] Maar wie van u aan Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt en goede werken doet, haar zullen Wij dubbel belonen en Wij hebben voor haar een waardige voorziening bereid. وَمَنْ يَقْنُتْ مِنْكُنَّ لِلَّهِ وَرَسُولِه ِِ وَتَعْمَلْ صَالِحا ً نُؤْتِهَا أَجْرَهَا مَرَّتَيْنِ وَأَعْتَدْنَا لَهَا رِزْقا ً كَرِيما ً
Yā Nisā'a An-Nabīyi Lastunna Ka'aĥadin Mina An-Nisā'  ۚ  'Ini Attaqaytunna Falā Takhđa`na Bil-Qawli Fayaţma`a Al-Ladhī Fī Qalbihi Marađun Wa Qulna Qawlāan Ma`rūfāan [33.32] O vrouwen van de profeet, gij zijt niet zoals een andere vrouw. Indien gij godvruchtig zijt, spreekt dan niet op een verleidelijke manier, anders zal hij in wiens hart ziekte is, verwachtingen koesteren; maar spreekt een oprechte taal. يَانِسَاءَ النَّبِيِّ لَسْتُنَّ كَأَحَد ٍ مِنَ النِسَاء إِنِ  ۚ  اتَّقَيْتُنَّ فَلاَ تَخْضَعْنَ بِالْقَوْلِ فَيَطْمَعَ الَّذِي فِي قَلْبِه ِِ مَرَض ٌ وَقُلْنَ قَوْلا ً مَعْرُوفا ً
Wa Qarna Fī Buyūtikunna Wa Lā Tabarrajna Tabarruja Al-Jāhilīyati Al-'Ūlá  ۖ  Wa 'Aqimna Aş-Şalāata Wa 'Ātīna Az-Zakāata Wa 'Aţi`na Al-Laha Wa Rasūlahu  ۚ  'Innamā Yurīdu Al-Lahu Liyudh/hiba `Ankumu Ar-Rijsa 'Ahla Al-Bayti Wa Yuţahhirakum Taţhīrāan [33.33] Blijft in uw huizen en stelt uw schoonheid niet ten toon als in de vroegere dagen der onwetendheid; leeft het gebed na, en betaalt de Zakaat en gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper. O huisgenoten, Allah wenst alleen onreinheid van u te verwijderen, en u schoon en zuiver te maken. وَقَرْنَ فِي بُيُوتِكُنَّ وَلاَ تَبَرَّجْنَ تَبَرُّجَ الْجَاهِلِيَّةِ الأُولَى  ۖ  وَأَقِمْنَ الصَّلاَةَ وَآتِينَ الزَّكَاةَ وَأَطِعْنَ اللَّهَ وَرَسُولَهُ~ُ  ۚ  إِنَّمَا يُرِيدُ اللَّهُ لِيُذْهِبَ عَنْكُمُ الرِّجْسَ أَهْلَ الْبَيْتِ وَيُطَهِّرَكُمْ تَطْهِيرا ً
Wa Adhkurna Mā Yutlá Fī Buyūtikunna Min 'Āyāti Al-Lahi Wa Al-Ĥikmati  ۚ  'Inna Al-Laha Kāna Laţīfāan Khabīrāan [33.34] En herinnert u de woorden van Allah en de wijsheid die in uw huizen wordt verkondigd; want Allah is Aldoordringend, Alkennend. وَاذْكُرْنَ مَا يُتْلَى فِي بُيُوتِكُنَّ مِنْ آيَاتِ اللَّهِ وَالْحِكْمَةِ  ۚ  إِنَّ اللَّهَ كَانَ لَطِيفاً خَبِيرا ً
'Inna Al-Muslimīna Wa Al-Muslimāti Wa Al-Mu'uminīna Wa Al-Mu'umināti Wa Al-Qānitīna Wa Al-Qānitāti Wa Aş-Şādiqīna Wa Aş-Şādiqāti Wa Aş-Şābirīna Wa Aş-Şābirāti Wa Al-Khāshi`īna Wa Al-Khāshi`āti Wa Al-Mutaşaddiqīna Wa Al-Mutaşaddiqāti Wa Aş-Şā'imīna Wa Aş-Şā'imāti Wa Al-Ĥāfižīna Furūjahum Wa Al-Ĥāfižāti Wa Adh-Dhākirīna Al-Laha Kathīrāan Wa Adh-Dhākirāti 'A`adda Al-Lahu Lahum Maghfiratan Wa 'Ajrāan `Ažīmāan [33.35] Voorwaar, de Moslims en de Moslima's en de gelovige mannen en vrouwen, de gehoorzame mannen en vrouwen, de waarachtige mannen en vrouwen, de standvastige mannen en vrouwen, de mannen en de vrouwen die nederig zijn, de mannen en de vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en de vrouwen die vasten, de mannen en de vrouwen die hun kuisheid bewaren, de mannen en de vrouwen die Allah vaak gedenken - voor zulken heeft Allah vergiffenis en een grote beloning bereid. إِنَّ الْمُسْلِمِينَ وَالْمُسْلِمَاتِ وَالْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَالْقَانِتِينَ وَالْقَانِتَاتِ وَالصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ وَالْخَاشِعِينَ وَالْخَاشِعَاتِ وَالْمُتَصَدِّقِينَ وَالْمُتَصَدِّقَاتِ وَالصَّائِمِينَ وَالصَّائِمَاتِ وَالْحَافِظِينَ فُرُوجَهُمْ وَالْحَافِظَاتِ وَالذَّاكِرِينَ اللَّهَ كَثِيرا ً وَالذَّاكِرَاتِ أَعَدَّ اللَّهُ لَهُمْ مَغْفِرَة ً وَأَجْراً عَظِيما ً
Wa Mā Kāna Limu'uminin Wa Lā Mu'uminatin 'Idhā Qađá Al-Lahu Wa Rasūluhu 'Amrāan 'An Yakūna Lahumu Al-Khiyaratu Min 'Amrihim  ۗ  Wa Man Ya`şi Al-Laha Wa Rasūlahu Faqad Đalla Đalālāan Mubīnāan [33.36] En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak. En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt, is zeker klaarblijkelijk afgedwaald. وَمَا كَانَ لِمُؤْمِن ٍ وَلاَ مُؤْمِنَة ٍ إِذَا قَضَى اللَّهُ وَرَسُولُهُ~ُ أَمْراً أَنْ يَكُونَ لَهُمُ الْخِيَرَةُ مِنْ أَمْرِهِمْ  ۗ  وَمَنْ يَعْصِ اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ فَقَدْ ضَلَّ ضَلاَلا ً مُبِينا ً
Wa 'Idh Taqūlu Lilladhī 'An`ama Al-Lahu `Alayhi Wa 'An`amta `Alayhi 'Amsik `Alayka Zawjaka Wa Attaqi Al-Laha Wa Tukhfī Fī Nafsika Mā Al-Lahu Mubdīhi Wa Takhshá An-Nāsa Wa Allāhu 'Aĥaqqu 'An Takhshāhu  ۖ  Falammā Qađá Zaydun Minhā Waţarāan Zawwajnākahā Likay Lā Yakūna `Alá Al-Mu'uminīna Ĥarajun Fī 'Azwāji 'Ad`iyā'ihim 'Idhā Qađaw Minhunna Waţarāan  ۚ  Wa Kāna 'Amru Al-Lahi Maf`ūlāan [33.37] En herinnert u, toen gij tot hem, wie Allah gunsten had bewezen en wie gij ook gunsten had bewezen, zeidet: "Behoud uw vrouw voor u en vrees Allah." Gij verborgt in uw hart wat Allah aan het licht zou brengen, en gij vreesdet de mensen terwijl Allah er meer recht op heeft dat gij Hem zoudt vrezen. Toen Zaid van haar scheidde, verenigden Wij haar met u in de echt, opdat er voor de gelovigen geen bezwaar mocht zijn ten opzichte van de vrouwen van hun aangenomen zonen, als zij van haar zijn gescheiden. Allah's gebod moet worden nageleefd. وَإِذْ تَقُولُ لِلَّذِي أَنْعَمَ اللَّهُ عَلَيْهِ وَأَنْعَمْتَ عَلَيْهِ أَمْسِكْ عَلَيْكَ زَوْجَكَ وَاتَّقِ اللَّهَ وَتُخْفِي فِي نَفْسِكَ مَا اللَّهُ مُبْدِيه ِِ وَتَخْشَى النَّاسَ وَاللَّهُ أَحَقُّ أَنْ تَخْشَاه ُُ  ۖ  فَلَمَّا قَضَى زَيْد ٌ مِنْهَا وَطَرا ً زَوَّجْنَاكَهَا لِكَيْ لاَ يَكُونَ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ حَرَج ٌ فِي أَزْوَاجِ أَدْعِيَائِهِمْ إِذَا قَضَوْا مِنْهُنَّ وَطَرا ً  ۚ  وَكَانَ أَمْرُ اللَّهِ مَفْعُولا ً
Mā Kāna `Alá An-Nabīyi Min Ĥarajin Fīmā Farađa Al-Lahu Lahu  ۖ  Sunnata Al-Lahi Fī Al-Ladhīna Khalaw Min Qablu  ۚ  Wa Kāna 'Amru Al-Lahi Qadarāan Maqdūrāan [33.38] Er moet voor de profeet geen bezwaar zijn betreffende hetgeen Allah voor hem geordend heeft. Dit is ook de handelwijze van Allah met hen die vََrdien zijn heengegaan - en het gebod van Allah is een vastgestelde verordening. مَا كَانَ عَلَى النَّبِيِّ مِنْ حَرَج ٍ فِيمَا فَرَضَ اللَّهُ لَه ُُ  ۖ  سُنَّةَ اللَّهِ فِي الَّذِينَ خَلَوْا مِنْ قَبْلُ  ۚ  وَكَانَ أَمْرُ اللَّهِ قَدَرا ً مَقْدُورا ً
Al-Ladhīna Yuballighūna Risālāti Al-Lahi Wa Yakhshawnahu Wa Lā Yakhshawna 'Aĥadāan 'Illā Al-Laha  ۗ  Wa Kafá Bil-Lahi Ĥasībāan [33.39] Degenen, die Allah's boodschappen brengen, vrezen Hem en buiten Allah niemand. Allah is Toereikend om te verrekenen. الَّذِينَ يُبَلِّغُونَ رِسَالاَتِ اللَّهِ وَيَخْشَوْنَه ُُ وَلاَ يَخْشَوْنَ أَحَدا ً إِلاَّ اللَّهَ  ۗ  وَكَفَى بِاللَّهِ حَسِيبا ً
Mā Kāna Muĥammadun 'Abā 'Aĥadin Min Rijālikum Wa Lakin Rasūla Al-Lahi Wa Khātama An-Nabīyīna  ۗ  Wa Kāna Al-Lahu Bikulli Shay'in `Alīmāan [33.40] Mohammed is niet de vader van één uwer mannen, maar de boodschapper van Allah en het zegel der profeten; Allah heeft kennis van alle dingen. مَا كَانَ مُحَمَّدٌ أَبَا أَحَد ٍ مِنْ رِجَالِكُمْ وَلَكِنْ رَسُولَ اللَّهِ وَخَاتَمَ النَّبِيِّينَ  ۗ  وَكَانَ اللَّهُ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيما ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Adhkurū Al-Laha Dhikrāan Kathīrāan [33.41] O, gij die gelooft! Gedenkt Allah veelvuldig. يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا اللَّهَ ذِكْرا ً كَثِيرا ً
Wa Sabbiĥūhu Bukratan Wa 'Aşīlāan [33.42] En prijst Zijn Heiligheid 's morgens en 's avonds. وَسَبِّحُوه ُُ بُكْرَة ً وَأَصِيلا ً
Huwa Al-Ladhī Yuşallī `Alaykum Wa Malā'ikatuhu Liyukhrijakum Mina Až-Žulumāti 'Ilá An-Nūri  ۚ  Wa Kāna Bil-Mu'uminīna Raĥīmāan [33.43] Hij is het Die u zegent en ook Zijn engelen doen dit, opdat Hij u van de duisternissen tot het licht moge leiden. En Hij is voor de gelovigen Genadig. هُوَ الَّذِي يُصَلِّي عَلَيْكُمْ وَمَلاَئِكَتُه ُُ لِيُخْرِجَكُمْ مِنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ  ۚ  وَكَانَ بِالْمُؤْمِنِينَ رَحِيما ً
Taĥīyatuhum Yawma Yalqawnahu Salāmun  ۚ  Wa 'A`adda Lahum 'Ajrāan Karīmāan [33.44] De Dag waarop zij Hem zullen ontmoeten zal hun groet "Vrede" zijn. En Hij heeft hun een eervolle beloning bereid. تَحِيَّتُهُمْ يَوْمَ يَلْقَوْنَه ُُ سَلاَم ٌ  ۚ  وَأَعَدَّ لَهُمْ أَجْرا ً كَرِيما ً
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu 'Innā 'Arsalnāka Shāhidāan Wa Mubashshirāan Wa Nadhīrāan [33.45] O, profeet. Wij hebben u als getuige, drager van blijde tijdingen en waarschuwer gezonden. يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِنَّا أَرْسَلْنَاكَ شَاهِدا ً وَمُبَشِّرا ً وَنَذِيرا ً
Wa Dā`īāan 'Ilá Al-Lahi Bi'idhnihi Wa Sirājāan Munīrāan [33.46] En als een roeper tot Allah door Zijn gebod, en als een stralende zon. وَدَاعِيا ً إِلَى اللَّهِ بِإِذْنِه ِِ وَسِرَاجا ً مُنِيرا ً
Wa Bashshiri Al-Mu'uminīna Bi'anna Lahum Mina Al-Lahi Fađlāan Kabīrāan [33.47] Verkondig derhalve aan de gelovigen het blijde nieuws dat zij van Allah grote genade zullen ontvangen. وَبَشِّرِ الْمُؤْمِنِينَ بِأَنَّ لَهُمْ مِنَ اللَّهِ فَضْلا ً كَبِيرا ً
Wa Lā Tuţi`i Al-Kāfirīna Wa Al-Munāfiqīna Wa Da` 'Adhāhum Wa Tawakkal `Alá Al-Lahi  ۚ  Wa Kafá Bil-Lahi Wa Kīlāan [33.48] En gehoorzaam de ongelovigen en de huichelaars niet en sla geen acht op hun grievende taal, stel uw vertrouwen in Allah, want Allah is Toereikend als Beschermer. وَلاَ تُطِعِ الْكَافِرِينَ وَالْمُنَافِقِينَ وَدَعْ أَذَاهُمْ وَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ  ۚ  وَكَفَى بِاللَّهِ وَكِيلا ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'Idhā Nakaĥtumu Al-Mu'umināti Thumma Ţallaqtumūhunna Min Qabli 'An Tamassūhunna Famā Lakum `Alayhinna Min `Iddatin Ta`taddūnahā  ۖ  Famatti`ūhunna Wa Sarriĥūhunna Sarāĥāan Jamīlāan [33.49] O, gij die gelooft! Als gij een gelovige vrouw huwt en daarna van haar scheidt voordat gij haar hebt aangeraakt dan behoeft zij om uwentwille geen wachtperiode te berekenen. Schenkt haar daarom een gave en laat haar op een grootmoedige wijze vrij. يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا نَكَحْتُمُ الْمُؤْمِنَاتِ ثُمَّ طَلَّقْتُمُوهُنَّ مِنْ قَبْلِ أَنْ تَمَسُّوهُنَّ فَمَا لَكُمْ عَلَيْهِنَّ مِنْ عِدَّة ٍ تَعْتَدُّونَهَا  ۖ  فَمَتِّعُوهُنَّ وَسَرِّحُوهُنَّ سَرَاحا ً جَمِيلا ً
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu 'Innā 'Aĥlalnā Laka 'Azwājaka Al-Lātī 'Ātayta 'Ujūrahunna Wa Mā Malakat Yamīnuka Mimmā 'Afā'a Al-Lahu `Alayka Wa Banāti `Ammika Wa Banāti `Ammātika Wa Banāti Khālika Wa Banāti Khālātika Al-Lātī Hājarna Ma`aka Wa Amra'atan Mu'uminatan 'In Wahabat Nafsahā Lilnnabīyi 'In 'Arāda An-Nabīyu 'An Yastankiĥahā Khālişatan Laka Min Dūni Al-Mu'uminīna  ۗ  Qad `Alimnā Mā Farađnā `Alayhim Fī 'Azwājihim Wa Mā Malakat 'Aymānuhum Likaylā Yakūna `Alayka Ĥarajun  ۗ  Wa Kāna Al-Lahu Ghafūrāan Raĥīmāan [33.50] O profeet, Wij hebben voor u uw vrouwen wettig gemaakt, aan wie gij haar huwelijksgiften hebt gegeven, en degenen die uw rechterhand bezit van haar, die Allah u als een oorlogsbuit heeft gegeven en de dochters van uw ooms en tantes van vaderszijde en de dochters van uw ooms en tantes van moederszijde die met u emigreerden, en elke gelovige vrouw indien zij zich aan de profeet toevertrouwt als de profeet haar wenst te huwen; dit is slechts voor u en niet voor de gelovigen. Wij hebben reeds kenbaar gemaakt wat Wij omtrent hun (gelovige) vrouwen en degenen die hun rechterhand bezit, hebben verordend, opdat er geen blaam u aankleve. Allah is Vergevensgezind, Genadevol. يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِنَّا أَحْلَلْنَا لَكَ أَزْوَاجَكَ اللاَّتِي آتَيْتَ أُجُورَهُنَّ وَمَا مَلَكَتْ يَمِينُكَ مِمَّا أَفَاءَ اللَّهُ عَلَيْكَ وَبَنَاتِ عَمِّكَ وَبَنَاتِ عَمَّاتِكَ وَبَنَاتِ خَالِكَ وَبَنَاتِ خَالاَتِكَ اللاَّتِي هَاجَرْنَ مَعَكَ وَامْرَأَة ً مُؤْمِنَة ً إِنْ وَهَبَتْ نَفْسَهَا لِلنَّبِيِّ إِنْ أَرَادَ النَّبِيُّ أَنْ يَسْتَنكِحَهَا خَالِصَة ً لَكَ مِنْ دُونِ الْمُؤْمِنِينَ  ۗ  قَدْ عَلِمْنَا مَا فَرَضْنَا عَلَيْهِمْ فِي أَزْوَاجِهِمْ وَمَا مَلَكَتْ أَيْمَانُهُمْ لِكَيْلاَ يَكُونَ عَلَيْكَ حَرَج ٌ  ۗ  وَكَانَ اللَّهُ غَفُورا ً رَحِيما ً
Turjī Man Tashā'u Minhunna Wa Tu'uwī 'Ilayka Man Tashā'u  ۖ  Wa Mani Abtaghayta Mimman `Azalta Falā Junāĥa `Alayka  ۚ  Dhālika 'Adná 'An Taqarra 'A`yunuhunna Wa Lā Yaĥzanna Wa Yarđayna Bimā 'Ātaytahunna Kulluhunna Wa  ۚ  Allāhu Ya`lamu Mā Fī Qulūbikum  ۚ  Wa Kāna Al-Lahu `Alīmāan Ĥalīmāan [33.51] Gij moogt verlaten wie gij wilt en tot u nemen wie gij wilt, er rust geen blaam op u wanneer gij haar terugneemt van wie gij u afzijdig hebt gehouden. Dit is het meest passend om hen verust te stellen, zodat zij niet treuren en allen tevreden mogen zijn met hetgeen gij haar geeft. En Allah weet wat in uw hart is; Allah is Alwetend, Verdraagzaam. تُرْجِي مَنْ تَشَاءُ مِنْهُنَّ وَتُؤْوِي إِلَيْكَ مَنْ تَشَاءُ  ۖ  وَمَنِ ابْتَغَيْتَ مِمَّنْ عَزَلْتَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْكَ  ۚ  ذَلِكَ أَدْنَى أَنْ تَقَرَّ أَعْيُنُهُنَّ وَلاَ يَحْزَنَّ وَيَرْضَيْنَ بِمَا آتَيْتَهُنَّ كُلُّهُنَّ  ۚ  وَاللَّهُ يَعْلَمُ مَا فِي قُلُوبِكُمْ  ۚ  وَكَانَ اللَّهُ عَلِيماً حَلِيما ً
Lā Yaĥillu Laka An-Nisā' Min Ba`du Wa Lā 'An Tabaddala Bihinna Min 'Azwājin Wa Law 'A`jabaka Ĥusnuhunna 'Illā Mā Malakat Yamīnuka  ۗ  Wa Kāna Al-Lahu `Alá Kulli Shay'in Raqībāan [33.52] Het is u hierna niet toegestaan vrouwen te huwen noch haar voor andere vrouwen te ruilen, zelfs al behaagt u haar schoonheid, met uitzondering van haar die uw rechterhand mocht bezitten. En Allah houdt de wacht over alle dingen. لاَ يَحِلُّ لَكَ النِسَاء مِنْ بَعْدُ وَلاَ أَنْ تَبَدَّلَ بِهِنَّ مِنْ أَزْوَاج ٍ وَلَوْ أَعْجَبَكَ حُسْنُهُنَّ إِلاَّ مَا مَلَكَتْ يَمِينُكَ  ۗ  وَكَانَ اللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ رَقِيبا ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Lā Tadkhulū Buyūta An-Nabīyi 'Illā 'An Yu'udhana Lakum 'Ilá Ţa`āmin Ghayra Nāžirīna 'Ināhu Wa Lakin 'Idhā Du`ītumdkhulū Fa'idhā Ţa`imtumntashirū Wa Lā Musta'nisīna Liĥadīthin  ۚ  'Inna Dhālikum Kāna Yu'udhī An-Nabīya Fayastaĥyi Minkum Wa  ۖ  Allāhu Lā Yastaĥyi Mina Al-Ĥaqqi  ۚ  Wa 'Idhā Sa'altumūhunna Matā`āan Fās'alūhunna Min Warā'i Ĥijābin  ۚ  Dhālikum 'Aţharu Liqulūbikum Wa Qulūbihinna  ۚ  Wa Mā Kāna Lakum 'An Tu'udhū Rasūla Al-Lahi Wa Lā 'An Tankiĥū 'Azwājahu Min Ba`dihi 'Abadāan  ۚ  'Inna Dhālikum Kāna `Inda Al-Lahi `Ažīmāan [33.53] O, gij die gelooft! Gaat de huizen van de profeet niet binnen tenzij gij uitgenodigd wordt tot een maaltijd, doch niet wachtend tot deze gereed is. Wanneer gij zijt uitgenodigd, komt dan binnen; en wanneer gij gegeten hebt vertrekt dan en blijft niet praten. Dat is lastig voor de profeet; hij is verlegen voor u, maar Allah aarzelt niet om de waarheid (te zeggen). En als gij haar (zijn vrouwen) om iets vraagt, vraagt het dan van achter het gordijn. Dat is reiner voor uw hart en haar hart. En het past u niet de boodschapper van Allah lastig te vallen, noch dat gij ooit zijn vrouwen na hem zoudt huwen. Dat zou in de ogen van Allah inderdaad een grote (belediging) zijn. يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لاَ تَدْخُلُوا بُيُوتَ النَّبِيِّ إِلاَّ أَنْ يُؤْذَنَ لَكُمْ إِلَى طَعَامٍ غَيْرَ نَاظِرِينَ إِنَاه ُُ وَلَكِنْ إِذَا دُعِيتُمْ فَادْخُلُوا فَإِذَا طَعِمْتُمْ فَانْتَشِرُوا وَلاَ مُسْتَأْنِسِينَ لِحَدِيث ٍ  ۚ  إِنَّ ذَلِكُمْ كَانَ يُؤْذِي النَّبِيَّ فَيَسْتَحْيِ مِنْكُمْ  ۖ  وَاللَّهُ لاَ يَسْتَحْيِ مِنَ الْحَقِّ  ۚ  وَإِذَا سَأَلْتُمُوهُنَّ مَتَاعا ً فَاسْأَلُوهُنَّ مِنْ وَرَاءِ حِجَاب ٍ  ۚ  ذَلِكُمْ أَطْهَرُ لِقُلُوبِكُمْ وَقُلُوبِهِنَّ  ۚ  وَمَا كَانَ لَكُمْ أَنْ تُؤْذُوا رَسُولَ اللَّهِ وَلاَ أَنْ تَنْكِحُوا أَزْوَاجَه ُُ مِنْ بَعْدِهِ~ِ أَبَدا ً  ۚ  إِنَّ ذَلِكُمْ كَانَ عِنْدَ اللَّهِ عَظِيما ً
'In TubShay'āan 'Aw Tukhfūhu Fa'inna Al-Laha Kāna Bikulli Shay'in `Alīmāan [33.54] Of gij iets openbaar maakt of verbergt, waarlijk Allah heeft kennis van alle dingen. إِنْ تُبْدُوا شَيْئاً أَوْ تُخْفُوه ُُ فَإِنَّ اللَّهَ كَانَ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيما ً
Lā Junāĥa `Alayhinna Fī 'Ābā'ihinna Wa Lā 'Abnā'ihinna Wa Lā 'Ikhwānihinna Wa Lā 'Abnā'i 'Ikhwānihinna Wa Lā 'Abnā'i 'Akhawātihinna Wa Lā Nisā'ihinna Wa Lā Mā Malakat 'Aymānuhunna  ۗ  Wa Attaqīna Al-Laha  ۚ  'Inna Al-Laha Kāna `Alá Kulli Shay'in Shahīdāan [33.55] Er rust op haar (uw vrouwen) geen schuld als zij zich tonen aan haar vaders of haar zonen of haar broeders of de zonen van haar broeders, of de zonen van haar zusters en hun vrouwen of hun ondergeschikten. Maar vreest Allah. Voorwaar, Allah is Getuige van alle dingen. لاَ جُنَاحَ عَلَيْهِنَّ فِي آبَائِهِنَّ وَلاَ أَبْنَائِهِنَّ وَلاَ إِخْوَانِهِنَّ وَلاَ أَبْنَاءِ إِخْوَانِهِنَّ وَلاَ أَبْنَاءِ أَخَوَاتِهِنَّ وَلاَ نِسَائِهِنَّ وَلاَ مَا مَلَكَتْ أَيْمَانُهُنَّ  ۗ  وَاتَّقِينَ اللَّهَ  ۚ  إِنَّ اللَّهَ كَانَ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ شَهِيدا ً
'Inna Al-Laha Wa Malā'ikatahu Yuşallūna `Alá An-Nabīyi  ۚ  Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Şallū `Alayhi Wa Sallimū Taslīmāan [33.56] Allah en Zijn engelen zenden zegeningen over de profeet. O, gij die gelooft, zendt zegeningen over hem en wenst hem vrede met alle eerbied toe. إِنَّ اللَّهَ وَمَلاَئِكَتَه ُُ يُصَلُّونَ عَلَى النَّبِيِّ  ۚ  يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا صَلُّوا عَلَيْهِ وَسَلِّمُوا تَسْلِيما ً
'Inna Al-Ladhīna Yu'udhūna Al-Laha Wa Rasūlahu La`anahumu Al-Lahu Fī Ad-Dunyā Wa Al-'Ākhirati Wa 'A`adda Lahum `Adhābāan Muhīnāan [33.57] Betreffende hen, die Allah en Zijn boodschapper lastig vallen, Allah heeft hen in deze wereld en in het Hiernamaals vervloekt en heeft een vernederende straf voor hen bereid. إِنَّ الَّذِينَ يُؤْذُونَ اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ لَعَنَهُمُ اللَّهُ فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ وَأَعَدَّ لَهُمْ عَذَابا ً مُهِينا ً
Wa Al-Ladhīna Yu'udhūna Al-Mu'uminīna Wa Al-Mu'umināti Bighayri Mā Aktasabū Faqadi Aĥtamalū Buhtānāan Wa 'Ithmāan Mubīnāan [33.58] En zij, die gelovige mannen en vrouwen lastig vallen zonder dat dezen er schuld aan hebben, dragen voorzeker de schuld van laster en een openlijke zonde. وَالَّذِينَ يُؤْذُونَ الْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ بِغَيْرِ مَا اكْتَسَبُوا فَقَدِ احْتَمَلُوا بُهْتَانا ً وَإِثْما ً مُبِينا ً
Yā 'Ayyuhā An-Nabīyu Qul Li'zwājika Wa Banātika Wa Nisā'i Al-Mu'uminīna Yudnīna `Alayhinna Min Jalābībihinna  ۚ  Dhālika 'Adná 'An Yu`rafna Falā Yu'udhayna  ۗ  Wa Kāna Al-Lahu Ghafūrāan Raĥīmāan [33.59] O profeet! Zeg aan uw vrouwen en uw dochters en de vrouwen der gelovigen dat zij een gedeelte van haar omslagdoeken over haar (hoofd) laten hangen. Dit is beter, opdat zij mogen worden onderscheiden en niet lastig worden gevallen. En Allah is Vergevensgezind, Genadevol. يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ قُلْ لِأزْوَاجِكَ وَبَنَاتِكَ وَنِسَاءِ الْمُؤْمِنِينَ يُدْنِينَ عَلَيْهِنَّ مِنْ جَلاَبِيبِهِنَّ  ۚ  ذَلِكَ أَدْنَى أَنْ يُعْرَفْنَ فَلاَ يُؤْذَيْنَ  ۗ  وَكَانَ اللَّهُ غَفُورا ً رَحِيما ً
La'in Lam Yantahi Al-Munāfiqūna Wa Al-Ladhīna Fī Qulūbihim Marađun Wa Al-Murjifūna Fī Al-Madīnati Lanughriyannaka Bihim Thumma Lā Yujāwirūnaka Fīhā 'Illā Qalīlāan [33.60] Indien de huichelaars en degenen in wier hart een ziekte is en degenen die opschudding in de stad veroorzaken, niet ophouden, zullen Wij u zeker tegen hen in beweging brengen; dan zullen zij slechts voor een korte tijd in uw nabijheid mogen vertoeven. لَئِنْ لَمْ يَنْتَهِ الْمُنَافِقُونَ وَالَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَض ٌ وَالْمُرْجِفُونَ فِي الْمَدِينَةِ لَنُغْرِيَنَّكَ بِهِمْ ثُمَّ لاَ يُجَاوِرُونَكَ فِيهَا إِلاَّ قَلِيلا ً
Mal`ūnīna  ۖ  'Aynamā Thuqifū 'Ukhidhū Wa Quttilū Taqtīlāan [33.61] Vervloekt zijn zij; waar zij zich ook bevinden zullen zij worden gegrepen en gedood. مَلْعُونِينَ  ۖ  أَيْنَمَا ثُقِفُوا أُخِذُوا وَقُتِّلُوا تَقْتِيلا ً
Sunnata Al-Lahi Fī Al-Ladhīna Khalaw Min Qablu  ۖ  Wa Lan Tajida Lisunnati Al-Lahi Tabdīlāan [33.62] Voorwaar, zo was Allah's handelwijze met degenen die voordien zijn heengegaan en in Allah's handelwijze zult gij geen verandering vinden. سُنَّةَ اللَّهِ فِي الَّذِينَ خَلَوْا مِنْ قَبْلُ  ۖ  وَلَنْ تَجِدَ لِسُنَّةِ اللَّهِ تَبْدِيلا ً
Yas'aluka An-Nāsu `Ani As-Sā`ati  ۖ  Qul 'Innamā `Ilmuhā `Inda Al-Lahi  ۚ  Wa Mā Yudrīka La`alla As-Sā`ata Takūnu Qarībāan [33.63] De mensen vragen u over het Uur. Zeg: "De kennis er van is slechts bij Allah," gij weet het niet; het kan zijn dat het Uur nabij is. يَسْأَلُكَ النَّاسُ عَنِ السَّاعَةِ  ۖ  قُلْ إِنَّمَا عِلْمُهَا عِنْدَ اللَّهِ  ۚ  وَمَا يُدْرِيكَ لَعَلَّ السَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبا ً
'Inna Al-Laha La`ana Al-Kāfirīna Wa 'A`adda Lahum Sa`īrāan [33.64] Allah heeft de ongelovigen zeker vervloekt en heeft een laaiend Vuur voor hen bereid. إِنَّ اللَّهَ لَعَنَ الْكَافِرِينَ وَأَعَدَّ لَهُمْ سَعِيرا ً
Khālidīna Fīhā 'Abadāan  ۖ  Lā Yajidūna Walīyāan Wa Lā Naşīrāan [33.65] Daarin zullen zij voor lange tijd vertoeven en zullen vriend noch helper vinden. خَالِدِينَ فِيهَا أَبَدا ً  ۖ  لاَ يَجِدُونَ وَلِيّا ً وَلاَ نَصِيرا ً
Yawma Tuqallabu Wujūhuhum An-Nāri Yaqūlūna Yā Laytanā 'Aţa`nā Al-Laha Wa 'Aţa`nā Ar-Rasūlā [33.66] De Dag waarop hun gezicht zich in het Vuur zal wentelen zullen zij zeggen: "O, hadden wij slechts Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamd!" يَوْمَ تُقَلَّبُ وُجُوهُهُمْ فِي النَّارِ يَقُولُونَ يَا لَيْتَنَا أَطَعْنَا اللَّهَ وَأَطَعْنَا الرَّسُولَا
Wa Qālū Rabbanā 'Innā 'Aţa`nā Sādatanā Wa Kubarā'anā Fa'ađallūnā As-Sabīlā [33.67] En zij zullen zeggen: "Onze Heer, wij gehoorzaamden onze leiders en onze grote mannen maar zij deden ons van de rechte weg afdwalen. وَقَالُوا رَبَّنَا إِنَّا أَطَعْنَا سَادَتَنَا وَكُبَرَاءَنَا فَأَضَلُّونَا السَّبِيلَا
Rabbanā 'Ātihim Đi`fayni Mina Al-`Adhābi Wa Al-`Anhum La`nāan Kabīrāan [33.68] Onze Heer, geef hun een dubbele straf en vloek hen met een zware vloek." رَبَّنَا آتِهِمْ ضِعْفَيْنِ مِنَ الْعَذَابِ وَالْعَنْهُمْ لَعْنا ً كَبِيرا ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Lā Takūnū Kālladhīna 'Ādhaw Mūsá Fabarra'ahu Al-Lahu Mimmā Qālū  ۚ  Wa Kāna `Inda Al-Lahi Wajīhāan [33.69] O, gij die gelooft! weest niet zoals degenen die Mozes ergerden! Allah echter zuiverde hem van hetgeen zij zeiden. En hij was in aanzien bij Allah. يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لاَ تَكُونُوا كَالَّذِينَ آذَوْا مُوسَى فَبَرَّأَهُ اللَّهُ مِمَّا قَالُوا  ۚ  وَكَانَ عِنْدَ اللَّهِ وَجِيها ً
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū Attaqū Al-Laha Wa Qūlū Qawlāan Sadīdāan [33.70] O, gij die gelooft! Vreest Allah en spreekt de waarheid. يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَقُولُوا قَوْلا ً سَدِيدا ً
Yuşliĥ Lakum 'A`mālakum Wa Yaghfir Lakum Dhunūbakum  ۗ  Wa Man Yuţi`i Al-Laha Wa Rasūlahu Faqad Fāza Fawzāan `Ažīmāan [33.71] Hij zal uw werken goed voor u maken en u uw zonden vergeven. En wie Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt, heeft zeker een grote overwinning behaald. يُصْلِحْ لَكُمْ أَعْمَالَكُمْ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ  ۗ  وَمَنْ يُطِعِ اللَّهَ وَرَسُولَه ُُ فَقَدْ فَازَ فَوْزاً عَظِيما ً
'Innā `Arađnā Al-'Amānata `Alá As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Al-Jibāli Fa'abayna 'An Yaĥmilnahā Wa 'Ashfaqna Minhā Wa Ĥamalahā Al-'Insānu  ۖ  'Innahu Kāna Žalūmāan Jahūlāan [33.72] Voorwaar, Wij boden de hemelen, de aarde en de bergen aan, hun (iets) toe te vertrouwen, maar zij weigerden dit te dragen en vreesden er voor, maar de mens nam het op zich. Inderdaad, hij is zeer onrechtvaardig (jegens zichzelf), onwetend. إِنَّا عَرَضْنَا الأَمَانَةَ عَلَى السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَالْجِبَالِ فَأَبَيْنَ أَنْ يَحْمِلْنَهَا وَأَشْفَقْنَ مِنْهَا وَحَمَلَهَا الإِنْسَانُ  ۖ  إِنَّه ُُ كَانَ ظَلُوما ً جَهُولا ً
Liyu`adhdhiba Al-Lahu Al-Munāfiqīna Wa Al-Munāfiqāti Wa Al-Mushrikīna Wa Al-Mushrikāti Wa Yatūba Al-Lahu `Alá Al-Mu'uminīna Wa Al-Mu'umināti  ۗ  Wa Kāna Al-Lahu Ghafūrāan Raĥīmāan [33.73] Het gevolg er van is dat Allah huichelachtige mannen en vrouwen, en afgodendienaren en afgodendienaressen zal straffen. En Allah wendt zich in barmhartigheid tot gelovige mannen en vrouwen, en Allah is Vergevensgezind, Genadevol. لِيُعَذِّبَ اللَّهُ الْمُنَافِقِينَ وَالْمُنَافِقَاتِ وَالْمُشْرِكِينَ وَالْمُشْرِكَاتِ وَيَتُوبَ اللَّهُ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ  ۗ  وَكَانَ اللَّهُ غَفُورا ً رَحِيما ً
Next Sūrah