'Alif-Lām-Mīm-Rā Tilka 'Āyātu Al-Kitābi Wa Al-Ladhī 'Unzila 'Ilayka Min Rabbika Al-Ĥaqqu Wa Lakinna 'Akthara An-Nāsi Lā Yu'uminūna  | [13.1] Alif Laam Miem Raa. Dit zijn de verzen van het Boek. En hetgeen u door uw Heer is geopenbaard is waar, maar de meeste mensen geloven niet. | أَلِف-لَام-مِيم-رَا تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ وَالَّذِي ۚ أُنزِلَ إِلَيْكَ مِنْ ۗ رَبِّكَ الْحَقُّ وَلَكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لاَ يُؤْمِنُونَ |
Al-Lahu Al-Ladhī Rafa`a As-Samāwāti Bighayri `Amadin Tarawnahā ۖ Thumma Astawá `Alá Al-`Arshi ۖ Wa Sakhkhara Ash-Shamsa Wa Al-Qamara ۖ Kullun Yajrī Li'jalin Musammáan ۚ Yudabbiru Al-'Amra Yufaşşilu Al-'Āyāti La`allakum Biliqā'i Rabbikum Tūqinūna  | [13.2] Allah is Hij, Die de hemelen heeft doen verrijzen zonder pilaren die gij kunt zien. Daarna zette Hij Zich op de troon. En Hij heeft de zon en de maan in dienst gesteld; elk volgt zijn baan tot een vastgestelde termijn. Hij regelt het al. Hij legt de tekenen duidelijk uit, opdat gij zeker zult zijn van de ontmoeting met uw Heer. | اللَّهُ الَّذِي رَفَعَ السَّمَاوَاتِ بِغَيْرِ عَمَد ٍ تَرَوْنَهَا ۖ ثُمَّ اسْتَوَى عَلَى الْعَرْشِ ۖ وَسَخَّرَ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ ۖ كُلّ ٌ يَجْرِي لِأجَل ٍ مُسَمّى ً ۚ يُدَبِّرُ الأَمْرَ يُفَصِّلُ الآيَاتِ لَعَلَّكُمْ بِلِقَاءِ رَبِّكُمْ تُوقِنُونَ |
Wa Huwa Al-Ladhī Madda Al-'Arđa Wa Ja`ala Fīhā Rawāsiya Wa 'Anhārāan ۖ Wa Min Kulli Ath-Thamarāti Ja`ala Fīhā Zawjayni Athnayni ۖ Yughshī Al-Layla An-Nahāra ۚ 'Inna Fī Dhālika La'āyātin Liqawmin Yatafakkarūna  | [13.3] En Hij is het, Die de aarde uitspreidde, er bergen op verhief en rivieren op vormde. En Hij maakte er elke vruchtensoort in twee geslachten op. Hij doet de nacht de dag bedekken. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk, dat nadenkt. | وَهُوَ الَّذِي مَدَّ الأَرْضَ وَجَعَلَ فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنْهَارا ً ۖ وَمِنْ كُلِّ الثَّمَرَاتِ جَعَلَ فِيهَا زَوْجَيْنِ اثْنَيْنِ ۖ يُغْشِي اللَّيْلَ النَّهَارَ ۚ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَات ٍ لِقَوْم ٍ يَتَفَكَّرُونَ |
Wa Fī Al-'Arđi Qiţa`un Mutajāwirātun Wa Jannātun Min 'A`nābin Wa Zar`un Wa Nakhīlun Şinwānun Wa Ghayru Şinwānin Yusqá Bimā'in Wāĥidin Wa Nufađđilu Ba`đahā `Alá Ba`đin Fī Al-'Ukuli ۚ 'Inna Fī Dhālika La'āyātin Liqawmin Ya`qilūna  | [13.4] En er zijn op aarde aan elkaar grenzende streken en tuinen van wijnstokken, en korenvelden en dadelpalmen, met één wortel of met verschillende wortels, zij worden met hetzelfde water besproeid en toch doen Wij sommigen er van in fruit boven anderen uitmunten. Daarin zijn tekenen voor een volk, dat begrijpt. | وَفِي الأَرْضِ قِطَع ٌ مُتَجَاوِرَات ٌ وَجَنَّات ٌ مِنْ أَعْنَاب ٍ وَزَرْع ٌ وَنَخِيل ٌ صِنْوَان ٌ وَغَيْرُ صِنْوَان ٍ يُسْقَى بِمَاء ٍ وَاحِد ٍ وَنُفَضِّلُ بَعْضَهَا عَلَى بَعْض ٍ فِي الأُكُلِ ۚ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَات ٍ لِقَوْم ٍ يَعْقِلُونَ |
Wa 'In Ta`jab Fa`ajabun Qawluhum 'A'idhā Kunnā Turābāan 'A'innā Lafī Khalqin Jadīdin ۗ 'Ūlā'ika Al-Ladhīna Kafarū Birabbihim ۖ Wa 'Ūlā'ika Al-'Aghlālu Fī 'A`nāqihim ۖ Wa 'Ūlā'ika 'Aşĥābu An-Nāri ۖ Hum Fīhā Khālidūna  | [13.5] En indien gij u verwondert, dan is hun zeggen verwonderlijker: "Wanneer wij stof zijn geworden, zullen wij dan opnieuw worden geschapen?" Deze zijn het, die hun Heer hebben verworpen, daarom zullen zij ketenen om hun hals hebben en de bewoners van het Vuur zijn; daarin zullen zij vertoeven. | وَإِنْ تَعْجَبْ فَعَجَب ٌ قَوْلُهُمْ أَئِذَا كُنَّا تُرَاباً أَئِنَّا لَفِي خَلْق ٍ جَدِيدٍ ۗ أُوْلَائِكَ الَّذِينَ كَفَرُوا بِرَبِّهِمْ ۖ وَأُوْلَائِكَ الأَغْلاَلُ فِي أَعْنَاقِهِمْ ۖ وَأُوْلَائِكَ أَصْحَابُ النَّارِ ۖ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ |
Wa Yasta`jilūnaka Bis-Sayyi'ati Qabla Al-Ĥasanati Wa Qad Khalat Min Qablihimu Al-Mathulātu ۗ Wa 'Inna Rabbaka Ladhū Maghfiratin Lilnnāsi `Alá Žulmihim ۖ Wa 'Inna Rabbaka Lashadīdu Al-`Iqābi  | [13.6] En zij vragen eerder het kwade van u dan het goede; hoewel er voor hen voorbeeldige straffen zijn voorgekomen. Voorwaar, uw Heer is vol van vergiffenis voor het mensdom, ondanks hun onrechtvaardigheid en voorwaar, uw Heer is streng in het vergelden. | وَيَسْتَعْجِلُونَكَ بِالسَّيِّئَةِ قَبْلَ الْحَسَنَةِ وَقَدْ خَلَتْ مِنْ قَبْلِهِمُ الْمَثُلاَتُ ۗ وَإِنَّ رَبَّكَ لَذُو مَغْفِرَة ٍ لِلنَّاسِ عَلَى ظُلْمِهِمْ ۖ وَإِنَّ رَبَّكَ لَشَدِيدُ الْعِقَابِ |
Wa Yaqūlu Al-Ladhīna Kafarū Lawlā 'Unzila `Alayhi 'Āyatun Min Rabbihi ۗ 'Innamā 'Anta Mundhirun ۖ Wa Likulli Qawmin Hādin  | [13.7] En de ongelovigen zeggen: "Waarom is hem (de profeet) geen teken van zijn Heer nedergezonden?" Gij zijt waarlijk een waarschuwer en er is voor elk volk een leidsman. | وَيَقُولُ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْلاَ أُنزِلَ عَلَيْهِ آيَة ٌ مِنْ رَبِّهِ~ِ ۗ إِنَّمَا أَنْتَ مُنذِر ٌ ۖ وَلِكُلِّ قَوْمٍ هَاد ٍ |
Al-Lahu Ya`lamu Mā Taĥmilu Kullu 'Unthá Wa Mā Taghīđu Al-'Arĥāmu Wa Mā Tazdādu ۖ Wa Kullu Shay'in `Indahu Bimiqdārin  | [13.8] Allah weet wat elke vrouw baart en wat de baarmoeders niet voldragen en wat zij doen groeien. En bij Hem heeft alles een eigen maat. | اللَّهُ يَعْلَمُ مَا تَحْمِلُ كُلُّ أُنثَى وَمَا تَغِيضُ الأَرْحَامُ وَمَا تَزْدَادُ ۖ وَكُلُّ شَيْءٍ عِنْدَه ُُ بِمِقْدَار ٍ |
`Ālimu Al-Ghaybi Wa Ash-Shahādati Al-Kabīru Al-Muta`ālī  | [13.9] Hij is de Kenner van het onzienlijke en het zienlijke, de Grote, de Verhevene. | عَالِمُ الْغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ الْكَبِيرُ الْمُتَعَالِي |
Sawā'un Minkum Man 'Asarra Al-Qawla Wa Man Jahara Bihi Wa Man Huwa Mustakhfin Bil-Layli Wa Sāribun Bin-Nahāri  | [13.10] Voor Hem is hij gelijk die onder u het woord verbergt en hij die het openlijk uit; alsook hij, die zich 's nachts verbergt en hij, die overdag (openlijk) voortgaat. | سَوَاء ٌ مِنْكُمْ مَنْ أَسَرَّ الْقَوْلَ وَمَنْ جَهَرَ بِه ِِ وَمَنْ هُوَ مُسْتَخْف ٍ بِاللَّيْلِ وَسَارِب ٌ بِالنَّهَارِ |
Lahu Mu`aqqibātun Min Bayni Yadayhi Wa Min Khalfihi Yaĥfažūnahu Min 'Amri Al-Lahi ۗ 'Inna Al-Laha Lā Yughayyiru Mā Biqawmin Ĥattá Yughayyirū Mā Bi'anfusihim ۗ Wa 'Idhā 'Arāda Al-Lahu Biqawmin Sū'āan Falā Maradda Lahu ۚ Wa Mā Lahum Min Dūnihi Min Wa A-  | [13.11] Er zijn voor hem (de Boodschapper) bewakers (engelen) vََr en achter hem; zij bewaken hem door het gebod van Allah. Voorzeker, Allah verandert de toestand van een volk niet voordat zij hetgeen in hun hart is veranderen. En wanneer Allah een volk wenst te straffen, is er geen afwenden mogelijk, noch hebben zij een helper naast Hem. | لَه ُُ مُعَقِّبَات ٌ مِنْ بَيْنِ يَدَيْهِ وَمِنْ خَلْفِه ِِ يَحْفَظُونَه ُُ مِنْ أَمْرِ اللَّهِ ۗ إِنَّ اللَّهَ لاَ يُغَيِّرُ مَا بِقَوْمٍ حَتَّى يُغَيِّرُوا مَا بِأَنفُسِهِمْ ۗ وَإِذَا أَرَادَ اللَّهُ بِقَوْم ٍ سُوءا ً فَلاَ مَرَدَّ لَه ُُ ۚ وَمَا لَهُمْ مِنْ دُونِه ِِ مِنْ وَال ٍ |
Huwa Al-Ladhī Yurīkumu Al-Barqa Khawfāan Wa Ţama`āan Wa Yunshi'u As-Saĥāba Ath-Thiqāla  | [13.12] Hij is het, Die u de bliksem toont vrees en hoop veroorzakende en Hij doet zware wolken ontstaan. | هُوَ الَّذِي يُرِيكُمُ الْبَرْقَ خَوْفا ً وَطَمَعا ً وَيُنْشِئُ السَّحَابَ الثِّقَالَ |
Wa Yusabbiĥu Ar-Ra`du Biĥamdihi Wa Al-Malā'ikatu Min Khīfatihi Wa Yursilu Aş-Şawā`iqa Fayuşību Bihā Man Yashā'u Wa Hum Yujādilūna Fī Al-Lahi Wa Huwa Shadīdu Al-Miĥāli  | [13.13] En de donder verkondigt Zijn glorie met de lof die Hem toekomt, en de engelen doen het uit ontzag voor Hem en Hij zendt de bliksem en treft er mede, wie Hij wil; nog steeds redetwisten zij over Allah. terwijl Hij streng is in het straffen. | وَيُسَبِّحُ الرَّعْدُ بِحَمْدِه ِِ وَالْمَلاَئِكَةُ مِنْ خِيفَتِه ِِ وَيُرْسِلُ الصَّوَاعِقَ فَيُصِيبُ بِهَا مَنْ يَشَاءُ وَهُمْ يُجَادِلُونَ فِي اللَّهِ وَهُوَ شَدِيدُ الْمِحَالِ |
Lahu Da`watu Al-Ĥaqqi Wa ۖ Al-Ladhīna Yad`ūna Min Dūnihi Lā Yastajībūna Lahum Bishay'in 'Illā Kabāsiţi Kaffayhi 'Ilá Al-Mā'i Liyablugha Fāhu Wa Mā Huwa Bibālighihi ۚ Wa Mā Du`ā'u Al-Kāfirīna 'Illā Fī Đalālin  | [13.14] Tot Hem is het ware gebed. En degenen, die zij buiten Hem aanroepen, verhoren hen in het geheel niet, doch zij zijn als iemand die zijn handen uitstrekt naar het water, opdat het zijn mond zal bereiken, maar het kan hem nooit bereiken. En het aanroepen der ongelovigen gaat slechts verloren. | لَه ُُ دَعْوَةُ الْحَقِّ ۖ وَالَّذِينَ يَدْعُونَ مِنْ دُونِهِ لاَ يَسْتَجِيبُونَ لَهُمْ بِشَيْء ٍ إِلاَّ كَبَاسِطِ كَفَّيْهِ إِلَى الْمَاءِ لِيَبْلُغَ فَاه ُُ وَمَا هُوَ بِبَالِغِه ِِ ۚ وَمَا دُعَاءُ الْكَافِرِينَ إِلاَّ فِي ضَلاَل ٍ |
Wa Lillahi Yasjudu Man Fī As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Ţaw`āan Wa Karhāan Wa Žilāluhum Bil-Ghudūwi Wa Al-'Āşāli  | [13.15] En wie in de hemelen en op aarde is, onderwerpt zich willens of onwillens aan Allah en hun schaduwen doen 's morgens en 's avonds hetzelfde. | وَلِلَّهِ يَسْجُدُ مَنْ فِي السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ طَوْعا ً وَكَرْها ً وَظِلاَلُهُمْ بِالْغُدُوِّ وَالآصَالِ |
Qul Man Rabbu As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Quli Al-Lahu ۚ Qul 'Afāttakhadhtum Min Dūnihi 'Awliyā'a Lā Yamlikūna Li'nfusihim Naf`āan Wa Lā Đarrāan ۚ Qul Hal Yastawī Al-'A`má Wa Al-Başīru 'Am Hal Tastawī Až-Žulumātu Wa An-Nūr ۗ 'Am Ja`alū Lillahi Shurakā'a Khalaqū Kakhalqihi Fatashābaha Al-Khalqu `Alayhim ۚ Quli Al-Lahu Khāliqu Kulli Shay'in Wa Huwa Al-Wāĥidu Al-Qahhāru  | [13.16] Zeg: "Wie is de Heer der hemelen en der aarde?" Zeg: "Allah." Zeg: "Hebt gij naast Hem dan helpers genomen, die voor zich over goed noch kwaad macht hebben?" Zeg: "Kunnen de blinde en de ziende gelijk zijn?" Of kan de duisternis gelijk zijn aan het licht? Of schrijven zij aan Allah medegoden toe die iets, op Zijn schepping lijkende hebben geschapen, zodat beide scheppingen hun gelijk voorkomen? Zeg: "Allah is de Schepper aller dingen en Hij is de Ene, de Opperste." | قُلْ مَنْ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ قُلِ اللَّهُ ۚ قُلْ أَفَاتَّخَذْتُمْ مِنْ دُونِهِ~ِ أَوْلِيَاءَ لاَ يَمْلِكُونَ لِأنفُسِهِمْ نَفْعا ً وَلاَ ضَرّا ً ۚ قُلْ هَلْ يَسْتَوِي الأَعْمَى وَالْبَصِيرُ أَمْ هَلْ تَسْتَوِي الظُّلُمَاتُ وَالنُّور ۗ أَمْ جَعَلُوا لِلَّهِ شُرَكَاءَ خَلَقُوا كَخَلْقِه ِِ فَتَشَابَهَ الْخَلْقُ عَلَيْهِمْ ۚ قُلِ اللَّهُ خَالِقُ كُلِّ شَيْء ٍ وَهُوَ الْوَاحِدُ الْقَهَّارُ |
'Anzala Mina As-Samā'i Mā'an Fasālat 'Awdiyatun Biqadarihā Fāĥtamala As-Saylu Zabadāan Rābīāan ۚ Wa Mimmā Yūqidūna `Alayhi Fī An-Nāri Abtighā'a Ĥilyatin 'Aw Matā`in Zabadun Mithluhu ۚ Kadhālika Yađribu Al-Lahu Al-Ĥaqqa Wa Al-Bāţila ۚ Fa'ammā Az-Zabadu Fayadh/habu Jufā'an ۖ Wa 'Ammā Mā Yanfa`u An-Nāsa Fayamkuthu Fī Al-'Arđi ۚ Kadhālika Yađribu Al-Lahu Al-'Amthāla  | [13.17] Hij zendt water van de hemel neder, zodat stromen overeenkomstig hun afmeting vloeien en de vloed zwellend schuim draagt. En van hetgeen zij (de mensen) in het vuur verhitten om sieraden en gereedschappen te vervaardigen komt een soortgelijk schuim. Zo licht Allah de waarheid en de valsheid toe. Wat nu het schuim betreft, het gaat als uitschot weg, maar wat betreft hetgeen de mensen tot nut strekt, dit blijft op aarde. Zo geeft Allah de gelijkenissen. | أَنزَلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاء ً فَسَالَتْ أَوْدِيَة ٌ بِقَدَرِهَا فَاحْتَمَلَ السَّيْلُ زَبَدا ً رَابِيا ً ۚ وَمِمَّا يُوقِدُونَ عَلَيْهِ فِي النَّارِ ابْتِغَاءَ حِلْيَةٍ أَوْ مَتَاع ٍ زَبَد ٌ مِثْلُه ُُ ۚ كَذَلِكَ يَضْرِبُ اللَّهُ الْحَقَّ وَالْبَاطِلَ ۚ فَأَمَّا الزَّبَدُ فَيَذْهَبُ جُفَاء ً ۖ وَأَمَّا مَا يَنفَعُ النَّاسَ فَيَمْكُثُ فِي الأَرْضِ ۚ كَذَلِكَ يَضْرِبُ اللَّهُ الأَمْثَالَ |
Lilladhīna Astajābū Lirabbihimu Al-Ĥusná Wa ۚ Al-Ladhīna Lam Yastajībū Lahu Law 'Anna Lahum Mā Fī Al-'Arđi Jamī`āan Wa Mithlahu Ma`ahu Lāftadaw Bihi ۚ 'Ūlā'ika Lahum Sū'u Al-Ĥisābi Wa Ma'wāhum Jahannamu ۖ Wa Bi'sa Al-Mihādu  | [13.18] Er zal voor degenen die aan hun Heer gehoor geven het goede zijn, en degenen, die Hem geen gehoor geven - deze zouden, indien zij al hetgeen op aarde is en het gelijke er aan toegevoegd, bezaten, het gaarne als losprijs aanbieden. Dezen zijn het die een boze afrekening zullen ontvangen en hun tehuis is de hel. En dit is een slechte rustplaats. | لِلَّذِينَ اسْتَجَابُوا لِرَبِّهِمُ الْحُسْنَى ۚ وَالَّذِينَ لَمْ يَسْتَجِيبُوا لَه ُُ لَوْ أَنَّ لَهُمْ مَا فِي الأَرْضِ جَمِيعا ً وَمِثْلَه ُُ مَعَهُ لاَفْتَدَوْا بِهِ~ِ ۚ أُوْلَائِكَ لَهُمْ سُوءُ الْحِسَابِ وَمَأْوَاهُمْ جَهَنَّمُ ۖ وَبِئْسَ الْمِهَادُ |
'Afaman Ya`lamu 'Annamā 'Unzila 'Ilayka Min Rabbika Al-Ĥaqqu Kaman Huwa 'A`má ۚ 'Innamā Yatadhakkaru 'Ūlū Al-'Albābi  | [13.19] Is dan hij die weet, dat hetgeen u van uw Heer is geopenbaard de waarheid is, gelijk aan hem die blind is? Alleen degenen die met begrip zijn begiftigd trekken er lering uit, | أَفَمَنْ يَعْلَمُ أَنَّمَا أُنزِلَ إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ الْحَقُّ كَمَنْ هُوَ أَعْمَى ۚ إِنَّمَا يَتَذَكَّرُ أُوْلُوا الأَلْبَابِ |
Al-Ladhīna Yūfūna Bi`ahdi Al-Lahi Wa Lā Yanquđūna Al-Mīthāqa  | [13.20] Degenen, die Allah's verbond vervullen en dit niet breken. | الَّذِينَ يُوفُونَ بِعَهْدِ اللَّهِ وَلاَ يَنقُضُونَ الْمِيثَاقَ |
Wa Al-Ladhīna Yaşilūna Mā 'Amara Al-Lahu Bihi 'An Yūşala Wa Yakhshawna Rabbahum Wa Yakhāfūna Sū'a Al-Ĥisābi  | [13.21] En degenen, die verbinden, wat Allah bevolen heeft verbonden te worden en die hun Heer vrezen en de kwade afrekening duchten. | وَالَّذِينَ يَصِلُونَ مَا أَمَرَ اللَّهُ بِهِ~ِ أَنْ يُوصَلَ وَيَخْشَوْنَ رَبَّهُمْ وَيَخَافُونَ سُوءَ الْحِسَابِ |
Wa Al-Ladhīna Şabarū Abtighā'a Wajhi Rabbihim Wa 'Aqāmū Aş-Şalāata Wa 'Anfaqū Mimmā Razaqnāhum Sirrāan Wa `Alāniyatan Wa Yadra'ūna Bil-Ĥasanati As-Sayyi'ata 'Ūlā'ika Lahum `Uqbá Ad-Dāri  | [13.22] En degenen, die volharden in het zoeken naar de gunst van hun Heer en het gebed houden en van hetgeen waarvan Wij hen hebben voorzien, heimelijk en openlijk weggeven en die het kwade met het goede afwenden, dezen zijn het die de beloning en het goede tehuis zullen ontvangen. | وَالَّذِينَ صَبَرُوا ابْتِغَاءَ وَجْهِ رَبِّهِمْ وَأَقَامُوا الصَّلاَةَ وَأَنفَقُوا مِمَّا رَزَقْنَاهُمْ سِرّا ً وَعَلاَنِيَة ً وَيَدْرَءُونَ بِالْحَسَنَةِ السَّيِّئَةَ أُوْلَائِكَ لَهُمْ عُقْبَى الدَّارِ |
Jannātu `Adnin Yadkhulūnahā Wa Man Şalaĥa Min 'Ābā'ihim Wa 'Azwājihim Wa Dhurrīyātihim Wa ۖ Al-Malā'ikatu Yadkhulūna `Alayhim Min Kulli Bābin  | [13.23] Tuinen der eeuwigheid. Zij en degenen van hun vaderen en hun echtgenoten en hun kinderen rechtvaardig zijn zullen deze binnengaan. En engelen zullen van iedere poort tot hen komen, (zeggende): | جَنَّاتُ عَدْن ٍ يَدْخُلُونَهَا وَمَنْ صَلَحَ مِنْ آبَائِهِمْ وَأَزْوَاجِهِمْ وَذُرِّيَّاتِهِمْ ۖ وَالْمَلاَئِكَةُ يَدْخُلُونَ عَلَيْهِمْ مِنْ كُلِّ بَاب ٍ |
Salāmun `Alaykum Bimā Şabartum ۚ Fani`ma `Uqbá Ad-Dāri  | [13.24] "Vrede zij over u, omdat gij geduldig waart; ziet, hoe uitstekend is het uiteindelijke tehuis." | سَلاَمٌ عَلَيْكُمْ بِمَا صَبَرْتُمْ ۚ فَنِعْمَ عُقْبَى الدَّارِ |
Wa Al-Ladhīna Yanquđūna `Ahda Al-Lahi Min Ba`di Mīthāqihi Wa Yaqţa`ūna Mā 'Amara Al-Lahu Bihi 'An Yūşala Wa Yufsidūna Fī ۙ Al-'Arđi 'Ūlā'ika Lahumu Al-La`natu Wa Lahum Sū'u Ad-Dāri  | [13.25] En degenen, die het verbond van Allah breken nadat zij het hadden bevestigd en hetgeen Allah heeft bevolen verenigd te zijn, afsnijden en op aarde wanorde stichten, hen treft de vloek en zij zullen een slecht tehuis hebben. | وَالَّذِينَ يَنقُضُونَ عَهْدَ اللَّهِ مِنْ بَعْدِ مِيثَاقِه ِِ وَيَقْطَعُونَ مَا أَمَرَ اللَّهُ بِهِ~ِ أَنْ يُوصَلَ وَيُفْسِدُونَ فِي الأَرْضِ ۙ أُوْلَائِكَ لَهُمُ اللَّعْنَةُ وَلَهُمْ سُوءُ الدَّارِ |
Al-Lahu Yabsuţu Ar-Rizqa Liman Yashā'u Wa Yaqdiru ۚ Wa Fariĥū Bil-Ĥayāati Ad-Dunyā Wa Mā Al-Ĥayāatu Ad-Dunyā Fī Al-'Ākhirati 'Illā Matā`un  | [13.26] Allah vergroot en vermindert de voorziening voor wie Hem behaagt. En zij (de mensen) verheugen zich in het tegenwoordige leven, terwijl het tegenwoordige leven slechts een (kortstondig) vermaak is vergeleken met het volgende. | اللَّهُ يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَنْ يَشَاءُ وَيَقْدِرُ ۚ وَفَرِحُوا بِالْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَمَا الْحَيَاةُ الدُّنْيَا فِي الآخِرَةِ إِلاَّ مَتَاع ٌ |
Wa Yaqūlu Al-Ladhīna Kafarū Lawlā 'Unzila `Alayhi 'Āyatun Min Rabbihi ۗ Qul 'Inna Al-Laha Yuđillu Man Yashā'u Wa Yahdī 'Ilayhi Man 'Anāba  | [13.27] En degenen die niet geloven, zeggen: "Waarom is hem (de profeet) geen teken van zijn Heer nedergezonden?" Zeg: "Allah laat diegene dwalen die Hij wil en leidt tot Zichzelf degene die zich bekeert." | وَيَقُولُ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْلاَ أُنزِلَ عَلَيْهِ آيَة ٌ مِنْ رَبِّه ِِ ۗ قُلْ إِنَّ اللَّهَ يُضِلُّ مَنْ يَشَاءُ وَيَهْدِي إِلَيْهِ مَنْ أَنَابَ |
Al-Ladhīna 'Āmanū Wa Taţma'innu Qulūbuhum Bidhikri Al-Lahi ۗ 'Alā Bidhikri Al-Lahi Taţma'innu Al-Qulūbu  | [13.28] Degenen die geloven, en wier hart rust vindt in de gedachtenis aan Allah. Ziet toe! in het gedenken van Allah kunnen de harten rust vinden. | الَّذِينَ آمَنُوا وَتَطْمَئِنُّ قُلُوبُهُمْ بِذِكْرِ اللَّهِ ۗ أَلاَ بِذِكْرِ اللَّهِ تَطْمَئِنُّ الْقُلُوبُ |
Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Ţūbá Lahum Wa Ĥusnu Ma'ābin  | [13.29] Degenen die geloven en goede werken doen - voor hen is geluk en een uitstekende plaats van terugkeer. | الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ طُوبَى لَهُمْ وَحُسْنُ مَآب ٍ |
Kadhālika 'Arsalnāka Fī 'Ummatin Qad Khalat Min Qablihā 'Umamun Litatluwa `Alayhimu Al-Ladhī 'Awĥaynā 'Ilayka Wa Hum Yakfurūna Bir-Raĥmani ۚ Qul Huwa Rabbī Lā 'Ilāha 'Illā Huwa `Alayhi Tawakkaltu Wa 'Ilayhi Matābi  | [13.30] Zo hebben Wij u tot een volk gezonden - aan hetwelk andere volkeren zijn voorafgegaan - opdat gij hun hetgeen Wij u hebben geopenbaard, moogt verkondigen doch zij verwerpen de Barmhartige. Zeg: "Hij is mijn Heer; er is geen God naast Hem. In Hem leg ik mijn vertrouwen en tot Hem is mijn terugkeer." | كَذَلِكَ أَرْسَلْنَاكَ فِي أُمَّة ٍ قَدْ خَلَتْ مِنْ قَبْلِهَا أُمَم ٌ لِتَتْلُوَ عَلَيْهِمُ الَّذِي أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ وَهُمْ يَكْفُرُونَ بِالرَّحْمَنِ ۚ قُلْ هُوَ رَبِّي لاَ إِلَهَ~َ إِلاَّ هُوَ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَإِلَيْهِ مَتَابِ |
Wa Law 'Anna Qur'ānāan Suyyirat Bihi Al-Jibālu 'Aw Quţţi`at Bihi Al-'Arđu 'Aw Kullima Bihi Al-Mawtá ۗ Bal Lillahi Al-'Amru Jamī`āan ۗ 'Afalam Yay'asi Al-Ladhīna 'Āmanū 'An Law Yashā'u Al-Lahu Lahadá An-Nāsa Jamī`āan ۗ Wa Lā Yazālu Al-Ladhīna Kafarū Tuşībuhum Bimā Şana`ū Qāri`atun 'Aw Taĥullu Qarībāan Min Dārihim Ĥattá Ya'tiya Wa`du Al-Lahi ۚ 'Inna Al-Laha Lā Yukhlifu Al-Mī`āda  | [13.31] En als er een Koran was, waarmede de bergen konden worden verzet, de aarde kon worden gespleten, of de doden tot spreken konden worden gebracht, (zouden zij er nog niet in geloven). "Neen, de zaak berust geheel bij Allah!" Zijn de gelovigen het niet te weten gekomen dat, indien Allah het wilde, Hij het gehele mensdom zou hebben geleid? En de ongelovigen zullen onophoudelijk door rampen getroffen worden wegens hun daden, of het zult bij hun huizen neerkomen, totdat de belofte van Allah tot stand komt. Voorzeker, Allah faalt niet in Zijn belofte. | وَلَوْ أَنَّ قُرْآنا ً سُيِّرَتْ بِهِ الْجِبَالُ أَوْ قُطِّعَتْ بِهِ الأَرْضُ أَوْ كُلِّمَ بِهِ الْمَوْتَى ۗ بَلْ لِلَّهِ الأَمْرُ جَمِيعاً ۗ أَفَلَمْ يَيْئَسِ الَّذِينَ آمَنُوا أَنْ لَوْ يَشَاءُ اللَّهُ لَهَدَى النَّاسَ جَمِيعا ً ۗ وَلاَ يَزَالُ الَّذِينَ كَفَرُوا تُصِيبُهُمْ بِمَا صَنَعُوا قَارِعَةٌ أَوْ تَحُلُّ قَرِيبا ً مِنْ دَارِهِمْ حَتَّى يَأْتِيَ وَعْدُ اللَّهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ لاَ يُخْلِفُ الْمِيعَادَ |
Wa Laqadi Astuhzi'a Birusulin Min Qablika Fa'amlaytu Lilladhīna Kafarū Thumma 'Akhadhtuhum ۖ Fakayfa Kāna `Iqābi  | [13.32] Voorzeker boodschappers werden vََr u ook bespot, maar Ik schonk uitstel aan de ongelovigen. Dan greep Ik hen en hoe (vreselijk) was Mijn straf. | وَلَقَدِ اسْتُهْزِئَ بِرُسُل ٍ مِنْ قَبْلِكَ فَأَمْلَيْتُ لِلَّذِينَ كَفَرُوا ثُمَّ أَخَذْتُهُمْ ۖ فَكَيْفَ كَانَ عِقَابِ |
'Afaman Huwa Qā'imun `Alá Kulli Nafsin Bimā Kasabat ۗ Wa Ja`alū Lillahi Shurakā'a Qul Sammūhum ۚ 'Am Tunabbi'ūnahu Bimā Lā Ya`lamu Fī Al-'Arđi 'Am Bižāhirin Mina Al-Qawli ۗ Bal Zuyyina Lilladhīna Kafarū Makruhum Wa Şuddū `Ani As-Sabīli ۗ Wa Man Yuđlili Al-Lahu Famā Lahu Min Hādin  | [13.33] Zal Hij, Die over elke ziel waakt ten aanzien van hetgeen zij verdient (hen dan laten gaan)? Toch kennen zij medegoden aan Allah toe. Zeg: "Noemt hen." Zoudt gij Hem willen inlichten over hetgeen Hem op aarde onbekend was? Of is het slechts een ledig gezegde? Neen, maar het plan der ongelovigen is voor hen schoonschijnend gemaakt en zij worden van de juiste weg teruggehouden. En hij, die Allah laat dwalen zal geen helper vinden. | أَفَمَنْ هُوَ قَائِمٌ عَلَى كُلِّ نَفْس ٍ بِمَا كَسَبَتْ ۗ وَجَعَلُوا لِلَّهِ شُرَكَاءَ قُلْ سَمُّوهُمْ ۚ أَمْ تُنَبِّئُونَه ُُ بِمَا لاَ يَعْلَمُ فِي الأَرْضِ أَمْ بِظَاهِر ٍ مِنَ الْقَوْلِ ۗ بَلْ زُيِّنَ لِلَّذِينَ كَفَرُوا مَكْرُهُمْ وَصُدُّوا عَنِ السَّبِيلِ ۗ وَمَنْ يُضْلِلِ اللَّهُ فَمَا لَه ُُ مِنْ هَاد ٍ |
Lahum `Adhābun Fī Al-Ĥayāati Ad-Dunyā ۖ Wa La`adhābu Al-'Ākhirati 'Ashaqqu ۖ Wa Mā Lahum Mina Al-Lahi Min Wāqin  | [13.34] Er is voor hen een straf in het tegenwoordige leven; doch de straf van het Hiernamaals is gewis zwaarder en zij zullen tegen Allah geen verdediger hebben. | لَهُمْ عَذَاب ٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَلَعَذَابُ الآخِرَةِ أَشَقُّ ۖ وَمَا لَهُمْ مِنَ اللَّهِ مِنْ وَاق ٍ |
Mathalu Al-Jannati Allatī Wu`ida Al-Muttaqūna ۖ Tajrī Min Taĥtihā Al-'Anhāru ۖ 'Ukuluhā Dā'imun Wa Žilluhā ۚ Tilka `Uqbá Al-Ladhīna Attaqaw ۖ Wa `Uqbá Al-Kāfirīna An-Nāru  | [13.35] Het beeld van de Hemel die de godvrezenden is beloofd, is, dat er stromen in vloeien, en dat zijn fruit en schaduw eeuwigdurend zijn. Dit is het loon van de rechtvaardig en maar het loon van de ongelovigen is het Vuur. | مَثَلُ الْجَنَّةِ الَّتِي وُعِدَ الْمُتَّقُونَ ۖ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأَنْهَارُ ۖ أُكُلُهَا دَائِم ٌ وَظِلُّهَا ۚ تِلْكَ عُقْبَى الَّذِينَ اتَّقَوا ۖ وَعُقْبَى الْكَافِرِينَ النَّارُ |
Wa Al-Ladhīna 'Ātaynāhumu Al-Kitāba Yafraĥūna Bimā 'Unzila ۖ 'Ilayka Wa Mina Al-'Aĥzābi Man Yunkiru ۚ Ba`đahu Qul 'Innamā 'Umirtu 'An 'A`buda Al-Laha Wa Lā 'Ushrika ۚ Bihi 'Ilayhi 'Ad`ū Wa 'Ilayhi Ma'ābi  | [13.36] En degenen, wie Wij het Boek hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen u is geopenbaard. En er zijn sommige der partijen die er een gedeelte van ontkennen. Zeg: "Het is mij bevolen, Allah te aanbidden en niets met Hem te vereenzelvigen. Tot Hem roep ik en tot Hem is mijn terugkeer." | وَالَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يَفْرَحُونَ بِمَا أُنزِلَ إِلَيْكَ ۖ وَمِنَ الأَحْزَابِ مَنْ يُنكِرُ بَعْضَه ُُ ۚ قُلْ إِنَّمَا أُمِرْتُ أَنْ أَعْبُدَ اللَّهَ وَلاَ أُشْرِكَ بِهِ~ِ ۚ إِلَيْهِ أَدْعُو وَإِلَيْهِ مَآبِ |
Wa Kadhalika 'Anzalnāhu Ĥukmāan `Arabīyāan ۚ Wa La'ini Attaba`ta 'Ahwā'ahum Ba`damā Jā'aka Mina Al-`Ilmi Mā Laka Mina Al-Lahi Min Wa Līyin Wa Lā Wāqin  | [13.37] En zo hebben Wij het als een duidelijk oordeel geopenbaard. En als gij, nadat kennis tot u is gekomen hun boze wensen volgt, zult gij aan Allah vriend, noch beschermer hebben. | وَكَذَلِكَ أَنزَلْنَاه ُُ حُكْماً عَرَبِيّا ً ۚ وَلَئِنِ اتَّبَعْتَ أَهْوَاءَهُمْ بَعْدَمَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ مَا لَكَ مِنَ اللَّهِ مِنْ وَلِيّ ٍ وَلاَ وَاق ٍ |
Wa Laqad 'Arsalnā Rusulāan Min Qablika Wa Ja`alnā Lahum 'Azwājāan Wa Dhurrīyatan ۚ Wa Mā Kāna Lirasūlin 'An Ya'tiya Bi'āyatin 'Illā Bi'idhni Al-Lahi ۗ Likulli 'Ajalin Kitābun  | [13.38] En Wij zonden inderdaad boodschappers vََr u en Wij gaven hun vrouwen en kinderen. En het is een boodschapper niet mogelijk een teken te brengen dan door het gebod van Allah. Voor elke periode is er een (Goddelijk) besluit. | وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا رُسُلا ً مِنْ قَبْلِكَ وَجَعَلْنَا لَهُمْ أَزْوَاجا ً وَذُرِّيَّة ً ۚ وَمَا كَانَ لِرَسُولٍ أَنْ يَأْتِيَ بِآيَة ٍ إِلاَّ بِإِذْنِ اللَّهِ ۗ لِكُلِّ أَجَل ٍ كِتَاب ٌ |
Yamĥū Al-Lahu Mā Yashā'u Wa Yuthbitu ۖ Wa `Indahu 'Ummu Al-Kitābi  | [13.39] Allah doet te niet wat Hij wil en bevestigt wat Hij wil en bij Hem is de oorsprong van het Boek. | يَمْحُوا اللَّهُ مَا يَشَاءُ وَيُثْبِتُ ۖ وَعِنْدَهُ~ُ أُمُّ الْكِتَابِ |
Wa 'In Mā Nuriyannaka Ba`đa Al-Ladhī Na`iduhum 'Aw Natawaffayannaka Fa'innamā `Alayka Al-Balāghu Wa `Alaynā Al-Ĥisābu  | [13.40] Of Wij u sommige der dingen doen zien waarmede Wij hen hebben bedreigd, of u doen sterven - op u rust (alleen) de verkondiging (der boodschap) en op Ons de verrekening. | وَإِنْ مَا نُرِيَنَّكَ بَعْضَ الَّذِي نَعِدُهُمْ أَوْ نَتَوَفَّيَنَّكَ فَإِنَّمَا عَلَيْكَ الْبَلاَغُ وَعَلَيْنَا الْحِسَابُ |
'Awalam Yaraw 'Annā Na'tī Al-'Arđa Nanquşuhā Min 'Aţrāfihā Wa ۚ Allāhu Yaĥkumu Lā Mu`aqqiba Liĥukmihi ۚ Wa Huwa Sarī`u Al-Ĥisābi  | [13.41] Zien zij niet dat Wij tot hun land komen, het van de buitenste zijden (grenzen) verminderend Allah besluit en niemand kan Zijn besluit omverwerpen. En Hij is vlug in het vergelden. | أَوَلَمْ يَرَوْا أَنَّا نَأْتِي الأَرْضَ نَنْقُصُهَا مِنْ أَطْرَافِهَا ۚ وَاللَّهُ يَحْكُمُ لاَ مُعَقِّبَ لِحُكْمِه ِِ ۚ وَهُوَ سَرِيعُ الْحِسَابِ |
Wa Qad Makara Al-Ladhīna Min Qablihim Falillāhi Al-Makru Jamī`āan ۖ Ya`lamu Mā Taksibu Kullu Nafsin ۗ Wa Saya`lamu Al-Kuffāru Liman `Uqbá Ad-Dāri  | [13.42] En degenen, die vََr hen waren, verzonnen plannen, maar (het slagen van) alle plannen berust bij Allah. Hij weet wat elke ziel verdient en de ongelovigen zullen weldra weten voor wie de uiteindelijke woonplaats is. | وَقَدْ مَكَرَ الَّذِينَ مِنْ قَبْلِهِمْ فَلِلَّهِ الْمَكْرُ جَمِيعا ً ۖ يَعْلَمُ مَا تَكْسِبُ كُلُّ نَفْس ٍ ۗ وَسَيَعْلَمُ الْكُفَّارُ لِمَنْ عُقْبَى الدَّارِ |
Wa Yaqūlu Al-Ladhīna Kafarū Lasta Mursalāan ۚ Qul Kafá Bil-Lahi Shahīdāan Baynī Wa Baynakum Wa Man `Indahu `Ilmu Al-Kitābi  | [13.43] De ongelovigen zeggen: "Gij zijt geen gezant." Zeg: "Allah, alsmede hij die kennis van het Boek bezit zijn toereikend als getuigen tussen u en mij." | وَيَقُولُ الَّذِينَ كَفَرُوا لَسْتَ مُرْسَلا ً ۚ قُلْ كَفَى بِاللَّهِ شَهِيدا ً بَيْنِي وَبَيْنَكُمْ وَمَنْ عِنْدَه ُُ عِلْمُ الْكِتَابِ |